ECLI:NL:RBROT:2025:6014

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 mei 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
11484835 CV EXPL 25-705
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 3 RvArt. 144 sub b RvArt. 6 EVRMArt. 237 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens te late verzetdagvaarding in incassoprocedure

Hoist Finance vordert betaling van een abonnementsachterstand van gedaagde, voortvloeiend uit een abonnement bij Sportschool IJsselmonde. De vordering is oorspronkelijk gecedeerd aan Direct Pay Services, die een procedure startte en waarbij gedaagde bij verstek werd veroordeeld tot betaling van €142,16 plus rente en kosten.

Gedaagde stelt dat hij geen overeenkomst heeft gesloten en brengt verzet in tegen het verstekvonnis. Hoist Finance betwist ontvankelijkheid van het verzet omdat de verzetdagvaarding te laat is uitgebracht.

De kantonrechter oordeelt dat het verzet niet ontvankelijk is omdat de verzettermijn van vier weken na de eerste uitbetaling van het derdenbeslag op 14 november 2024 is verstreken toen gedaagde op 19 december 2024 verzet instelde. Er is geen strijd met artikel 6 EVRM Pro, aangezien gedaagde op 22 november 2024 op de hoogte was van de uitbetaling en voldoende tijd had om verzet in te stellen.

Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten, begroot op €30 aan salaris gemachtigde. De kantonrechter wijst toewijzing van werkelijke kosten af wegens gebrek aan onderbouwing en afwezigheid van misbruik van procesrecht.

Uitkomst: Gedaagde is niet-ontvankelijk in zijn verzet wegens overschrijding van de verzettermijn en wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11484835 CV EXPL 25-705
datum uitspraak: 23 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hoist Finance AB,
vestigingsplaats: Stockholm (Zweden),
eiseres,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Scheltes.
De partijen worden hierna ‘Hoist Finance’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 december 2013, met bijlagen;
  • het verstekvonnis van deze rechtbank van 31 januari 2014 met zaaknummer 2684978 \ CV EXPL 14-1627;
  • de verzetdagvaarding van 19 december 2024, met bijlagen;
  • de repliek, met bijlagen.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Volgens Hoist Finance heeft [gedaagde] een abonnement afgesloten met Sportschool IJsselmonde op grond waarvan [gedaagde] een abonnementsprijs van € 25,00 per maand moet betalen. Hoist Finance stelt dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan in de abonnementsgelden. Sportschool IJsselmonde heeft haar vordering op [gedaagde] gecedeerd aan Direct Pay Services. Om betaling te krijgen van die vordering is Direct Pay Services een procedure gestart. In die procedure is [gedaagde] bij verstekvonnis veroordeeld tot betaling van € 142,16 (€ 100,00 aan abonnementsgelden, € 2,16 aan vervallen wettelijke rente en € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten) vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten. Na het wijzen van het verstekvonnis is de vordering gecedeerd aan Hoist Finance.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met het verstekvonnis en heeft een verzetdagvaarding uitgebracht. Hij voert als verweer dat hij geen overeenkomst heeft gesloten met Hoist Finance of met Direct Pay Services op grond waarvan hij € 142,16 verschuldigd is.
2.3.
In reactie op de verzetdagvaarding laat Hoist Finance weten dat zij van mening is dat [gedaagde] te laat is met het instellen van zijn verzet.
Conclusie
2.4.
[gedaagde] is niet ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Verzet is te laat ingesteld
2.5.
[gedaagde] is niet ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet, omdat hij te laat een verzetdagvaarding heeft uitgebracht.
2.6.
Op grond van artikel 143 lid 3 Rv Pro geldt dat het verzet moet worden ingesteld binnen vier weken vanaf de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. Van tenuitvoerlegging is volgens artikel 144 sub b Rv Pro sprake als derdenbeslag is gelegd op een vordering tot periodieke betalingen na de eerste uitbetaling. Het gaat om de eerste uitbetaling aan de beslaglegger en niet zoals door [gedaagde] wordt gesteld aan de veroordeelde.
2.7.
Vast staat dat de eerste uitbetaling uit hoofde van het gelegde beslag op
14 november 2024 heeft plaatsgevonden. De verzettermijn van vier weken is daarom op
14 november 2024 gaan lopen en was verstreken toen [gedaagde] op 19 december 2024 de verzetdagvaarding uitbracht.
Niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro
2.8.
Er is geen sprake van omstandigheden die leiden tot verruiming van de verzettermijn. Onverkorte toepassing van de wettelijke regeling van de verzettermijn is in dit geval niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
2.9.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn achterwege moet blijven, als die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Hiervan is in dit geval geen sprake.
2.10.
Uit het verweer van [gedaagde] blijkt dat hij op 22 november 2024 ervan op de hoogte is geraakt dat er een uitbetaling had plaatsgevonden als gevolg van het onder UWV gelegde derdenbeslag. Nu er op 22 november 2024 voor [gedaagde] nog bijna drie weken resteerden om in verzet te komen kan niet gezegd worden dat onder de gegeven omstandigheden onverkorte toepassing van de wettelijke regeling van de verzettermijn in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Vanwege het essentiële belang daarvan valt niet in te zien waarom niet van (de gemachtigde van) [gedaagde] kon worden verlangd om zo spoedig mogelijk na te gaan wanneer de eerste uitbetaling in het kader van het derdenbeslag aan de beslaglegger had plaatsgevonden, zodat het verzet op tijd kon worden ingesteld.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten van de verzetprocedure komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hoist Finance moet betalen op € 30,00 aan salaris voor de gemachtigde.
2.12.
De kantonrechter ziet geen aanleiding voor toewijzing van de werkelijke proceskosten van Hoist Finance. Nog daargelaten dat Hoist Finance deze kosten op geen enkele manier heeft onderbouwd, worden de volledige proceskosten alleen toegewezen in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn verzet;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hoist Finance worden begroot op € 30,00 aan salaris voor de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
572