Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om gedurende zes maanden te voorkomen dat verweerster het vonnis tot ontruiming van zijn woning uitvoert. Verzoeker baseert dit op zijn inkomen uit WIA-uitkering, pensioen en verzekering, en een spoedeisend verzoek tot onderbewindstelling.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat het vonnis tot ontruiming op korte termijn ten uitvoer zal worden gelegd. Echter, onvoldoende is aangetoond dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Sinds het vonnis van 24 maart 2025 zijn de huurtermijnen niet betaald. Daarnaast kampt verzoeker met een cocaïneverslaving waarvoor hij waarschijnlijk binnenkort voor drie maanden wordt opgenomen, waardoor hij geen spoedeisend belang heeft om in de woning te blijven. Ook is twijfel over het functioneren van een nieuw beschermingsbewind en het feit dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij een nieuw verzoek tot onderbewindstelling heeft ingediend, weegt mee.
De rechtbank weegt het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren, zwaarder dan dat van verzoeker. Het minnelijk schuldhulpverleningstraject zal niet op korte termijn zijn afgerond. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. Verzoeker kan op een later moment een nieuw verzoek indienen.