ECLI:NL:RBROT:2025:6108

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
FT RK 25/457 / FT RK 25/458
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratoriumverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid huurbetaling en verslaving

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om gedurende zes maanden te voorkomen dat verweerster het vonnis tot ontruiming van zijn woning uitvoert. Verzoeker baseert dit op zijn inkomen uit WIA-uitkering, pensioen en verzekering, en een spoedeisend verzoek tot onderbewindstelling.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat het vonnis tot ontruiming op korte termijn ten uitvoer zal worden gelegd. Echter, onvoldoende is aangetoond dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Sinds het vonnis van 24 maart 2025 zijn de huurtermijnen niet betaald. Daarnaast kampt verzoeker met een cocaïneverslaving waarvoor hij waarschijnlijk binnenkort voor drie maanden wordt opgenomen, waardoor hij geen spoedeisend belang heeft om in de woning te blijven. Ook is twijfel over het functioneren van een nieuw beschermingsbewind en het feit dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat hij een nieuw verzoek tot onderbewindstelling heeft ingediend, weegt mee.

De rechtbank weegt het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren, zwaarder dan dat van verzoeker. Het minnelijk schuldhulpverleningstraject zal niet op korte termijn zijn afgerond. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet. Verzoeker kan op een later moment een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een moratorium wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 15 mei 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 24 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Op verzoek van verzoeker is de behandeling van het verzoekschrift aangehouden tot
8 mei 2025.
Ter zitting van 8 mei 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • [naam 1], ex-partner van verzoeker;
  • mevrouw M.N. Naipal, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam 2], namens Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit een WIA-uitkering, pensioen en uit een verzekring van Nationale Nederlanden. Verzoeker heeft met spoed een verzoek gedaan tot onderbewindstelling, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Verzoeker heeft een cocaïne verslaving maar wil graag hulp en heeft op 12 mei 2025 een intake gesprek bij Antes.

3.Het verweer

Verzoeker heeft in de periode 2020 tot en met 2023 al eerder een schuldhulpverlenings-traject gehad. Verweerster heeft destijds haar vordering afgeboekt tegen finale kwijting. Nadat budgetbeheer was gestopt is een nieuwe achterstand in de betaling van de huurtermijnen ontstaan. Verzoeker is in maart 2024 onder beschermingsbewind gesteld. Het beschermingsbewind is – op verzoek van de toenmalig beschermingsbewindvoerder – in oktober 2024 opgeheven omdat er met verzoeker niet samen te werken viel en hij zich agressief had geuit tegen medewerkers. De huurachterstand is na beeindiging van het beschermingsbewind verder opgelopen. Verweerster heeft onvoldoende waarborgen dat de lopende huurtermijnen vanaf nu wel tijdig worden betaald. Verweerster refereert zich voor de beoordeling van het verzoek naar het oordeel van de rechtbank.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 26 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Sinds het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2025 zijn de lopende huurtermijnen niet voldaan. Ook heeft verzoeker een cocaïne verslaving. Ter zitting is gebleken dat verzoeker voor de behandeling daarvan waarschijnlijk op korte termijn voor tenminste drie maanden zal worden opgenomen bij Antes. Dit is weliswaar een gunstige wending, maar betekent ook dat verzoeker op dit moment geen voldoende spoedeisend belang heeft om in zijn woning te blijven wonen. Daarnaast is vanwege het verloop van het recent beëindigde beschermingsbewind twijfelachtig of een nieuw beschermingsbewind wel naar behoren zal verlopen. Bovendien heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk een nieuw verzoek tot onderbewindstelling heeft gedaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.