Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 28 maart 2025 en stond gepland voor 22 april 2025.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien de ontruiming dreigde plaats te vinden. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 6 januari 2025 en heeft de huurtermijnen van maart en mei 2025 tijdig voldaan. Ook is budgetbeheer opgestart om toekomstige huurbetalingen te waarborgen.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster, de verhuurder, die het vonnis wil uitvoeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, aangezien het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond. De beschikking geldt vanaf 11 april 2025.
Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming van de huurwoning opgeschort onder de voorwaarde dat huurtermijnen tijdig worden voldaan.