Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen drie schuldeisers die weigerden in te stemmen met haar schuldregeling. De regeling voorziet in een eenmalige betaling van een percentage van de vorderingen aan schuldeisers, gebaseerd op haar Participatiewet-uitkering en medische beperkingen waardoor zij niet kan werken.
De rechtbank constateerde dat 21 van de 24 schuldeisers akkoord waren met het voorstel en dat de weigering van Cerco Caffe, [persoon B] en VCN slechts een klein deel van de totale schuldenlast betrof. Het voorstel was getoetst door een onafhankelijke partij en werd als het uiterste haalbare beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigeraars, mede omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling minder oplevert door bijkomende kosten en latere uitkering. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke regeling werd afgewezen.
De rechtbank beval de schuldeisers om in te stemmen met de schuldregeling en veroordeelde hen in de proceskosten. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.