Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat de ontruiming gepland stond op 14 april 2025. Verzoeker heeft een inkomen van circa €2.500 netto per maand en betaalt de huurtermijnen van april en mei 2025, waarbij april te laat maar mei tijdig is voldaan.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis tot ontruiming wil uitvoeren. Gezien de toezeggingen en het op te starten budgetbeheer acht de rechtbank het aannemelijk dat toekomstige huurtermijnen tijdig worden betaald.
De voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet niet-ontvankelijk verklaard, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek later. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: Moratorium van zes maanden toegewezen en ontruiming huurwoning opgeschort onder voorwaarde tijdige huurbetaling.