AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn bij Woo-verzoek
Eiseres diende op 22 december 2023 een informatieverzoek in op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister nam op 7 mei 2024 een primair besluit waarin het verzoek deels werd ingewilligd. Eiseres ontving de stukken op 22 mei 2024 en maakte op 2 juli 2024 bezwaar tegen het primaire besluit. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn, die volgens de minister uiterlijk op 18 juni 2024 moest zijn ingediend.
Eiseres stelde dat de bezwaartermijn pas begint te lopen bij ontvangst van de stukken, omdat zij dan pas de mogelijkheid heeft om de beslissing inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank oordeelde echter dat de termijn volgens artikel 6:7 enPro 6:8 van de Awb begint te lopen vanaf de dag na bekendmaking van het primaire besluit, hier 7 mei 2024. Het toezenden van stukken is slechts uitvoering van het besluit en geen besluit zelf.
De rechtbank verwierp het verweer van eiseres dat een pro-forma bezwaar niet mogelijk zou zijn en dat het pro-forma bezwaar in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook een beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 AwbPro werd afgewezen, omdat geen bijzondere persoonlijke omstandigheden of handelen van het bestuursorgaan aan de orde waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het bezwaar van eiseres is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9805
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: [naam 1])
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister
(gemachtigde: mr. I.M. Kops).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres. Eiseres is door de minister niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van eiseres in bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard .De bezwaartermijn begint te lopen bij het bekendmaken van het primaire besluit en niet bij het toesturen van de stukken. De rechtbank loopt niet vooruit op mogelijk toekomstige wetgeving en acht de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 7 mei 2025 heeft de minister het verzoek van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo) deels ingewilligd. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 16 april 2025 nadere stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door haar adviseur [naam 2], en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 22 december 2023 een informatieverzoek ingediend op grond van de Woo. De minister heeft op 7 mei 2024 (het primaire besluit) op het verzoek besloten en heeft het verzoek gedeeltelijk gehonoreerd. Eiseres heeft de stukken waar dit besluit op toeziet op 22 mei 2024 ontvangen. Eiseres heeft vervolgens op 2 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Volgens de minister had het bezwaarschrift uiterlijk op 18 juni 2024 binnen moeten zijn.
Is eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bezwaartermijn aanvangt op het moment dat de stukken door eiseres zijn ontvangen omdat eiseres toen pas in staat was om per document te beoordelen of de Woo-beslissing overeenstemt dan wel strijdig is met de wettelijke bepalingen. In het primaire besluit staat niet dat eiseres bezwaar kan maken op nader aan te voeren gronden. De minister veronderstelt dat de rechthebbende bekend is met de in de praktijk gangbare methode van het zogenoemde ‘pro-forma bezwaar’. Eiseres stelt dat dit geen valide argument is in de vaststelling van de aanvang van de wettelijke bezwaartermijn. Daarnaast is het pro-forma bezwaar een opzettelijke schending van artikel 6:5 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wat in strijd is met het rechtszekerheidsbegindel. Het pro-forma bezwaar is ook niet in alle gevallen een oplossing. Na het pro-forma bezwaar volgt een hersteltermijn van vier weken om de gronden aan te vullen. Indien een belanghebbende bij de verstrekking bezwaar maakt tegen openbaarmaking zal de verstrekking niet binnen de hersteltermijn plaatsvinden en wordt de rechthebbende de mogelijkheid ontzegt om gemotiveerd bezwaar te maken tegen het primaire besluit.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 6:7 vanPro de Awb is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb begint deze termijn te lopen de dag nadat het bestuursorgaan een beslissing heeft genomen. In het geval van een Woo-verzoek is dit het primaire besluit. De bezwaartermijn vangt aan op het moment dat de minister het primaire besluit op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. In dit geval is dat 7 mei 2024. De bezwaartermijn liep tot en met 18 juni 2024. Het bezwaar van eiseres is ontvangen op 2 juli 2024 en daarmee te laat. Het toezenden van de in het primaire besluit genoemde stukken is enkel het feitelijk uitvoeren van het besluit en is als zodanig niet als een besluit aan te merken. De Woo bevat ook geen bepaling die anders doet vermoeden. Anders dan eiseres stelt, voorziet de Awb wel in de mogelijkheid van een pro-forma bezwaar. Wanneer een bezwaarschrift niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:5 vanPro de Awb, krijgt de bezwaarmaker op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb de gelegenheid om dit verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. In dat geval ligt het op de weg van de minister om een redelijke termijn te bepalen. Hierbij kan de minister wat de termijn betreft rekening houden met de omstandigheden die eiseres naar voren brengt. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres te laat is met het indienen van het bezwaar.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
5. Voor zover het beroep, gelet op de verwijzing van eiseres naar het wetsvoorstel ‘Wet versterking waarborgfunctie Awb’, tevens moet worden opgevat als een beroep op een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 vanPro de Awb, wordt het volgende overwogen. Op grond van dit artikel blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding wordt dan verschoonbaar geacht. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat artikel 6:11 AwbPro ten eerste betekenis heeft voor situaties waarin een belanghebbende als gevolg van bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, niet tijdig van zijn rechtsmiddel gebruik heeft kunnen maken. Daarnaast heeft het artikel betekenis voor gevallen waarin de termijnoverschrijding het gevolg is van het handelen of nalaten aan de kant van het bestuursorgaan. Dit betreft bijvoorbeeld de situatie waarin de bezwaar- of beroepstermijn is gaan lopen zonder dat de belanghebbende op de hoogte is gesteld van zijn bevoegdheden op dat punt. In beide categorieën van gevallen vereist een geslaagd beroep op artikel 6:11 AwbPro dat de indiener zo spoedig mogelijk alsnog een bezwaar- of beroepschrift indient. De rechtbank stelt vast dat beide situaties niet van toepassing zijn. Eiseres voert ten aanzien van het handelen van de minister in dit kader aan dat omdat in de bezwaarclausule niet is opgenomen dat een pro-forma bezwaar mogelijk is en omdat er een wetsvoorstel ligt om dit onderwerp in de Awb duidelijker te regelen, daarop vooruitgelopen dient te worden. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres, maar volgt dit niet. De rechtbank oordeelt op basis van geldende wetgeving en loopt niet vooruit op nog in behandeling zijnde wetsvoorstellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.