De veroordeelde was eerder veroordeeld in Duitsland tot een gevangenisstraf van 1280 dagen, die in Nederland werd overgenomen. Na veroordeling door de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot 30 maanden gevangenisstraf (waarvan 10 maanden voorwaardelijk) werd de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) verleend op 24 juni 2023. Het Openbaar Ministerie besloot de v.i. te herroepen op grond van een nieuwe veroordeling voor soortgelijke feiten.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en dat hij zich sinds zijn schorsing in november 2024 aan de voorwaarden hield. De rechtbank behandelde het bezwaar en hoorde partijen in raadkamer.
De rechtbank oordeelde dat het OM terecht ernstige redenen had voor het vermoeden dat de veroordeelde de voorwaarden had overtreden, gezien de nieuwe veroordeling voor soortgelijke strafbare feiten. Echter, de rechtbank vond dat het OM niet in redelijkheid tot volledige herroeping had kunnen besluiten, mede vanwege de positieve gedragsontwikkeling en persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en bepaalde dat de veroordeelde na 250 dagen gedeeltelijk voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld, zodat hij onder begeleiding een tweede kans krijgt om recidive te voorkomen.