Op 11 april 2025 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De tenlastelegging was gewijzigd tijdens de terechtzitting. De officier van justitie eiste vrijspraak voor het eerste feit en veroordeling voor het tweede.
De rechtbank oordeelde dat het eerste feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte zonder nadere motivering vrij. Ten aanzien van het tweede feit, het voorhanden hebben van een vuurwapen, was er discussie over de bewijslast. Hoewel het wapen bij verdachte in de tuin was aangetroffen en er foto’s van vuurwapens op zijn telefoon stonden, kon niet worden vastgesteld dat verdachte het wapen daadwerkelijk voorhanden had gehad. De herkomst van de foto’s was onduidelijk en het bewijs onvoldoende overtuigend.
Daarom sprak de rechtbank verdachte ook vrij van het tweede feit. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die zij eventueel bij de burgerlijke rechter kan voortzetten. De benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging, welke nihil werden begroot.