Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 11 maart 2025, met bijlagen;
- de e-mail van de gemachtigde van [eiser] van 13 maart 2025, met bijlage.
Rechtbank Rotterdam
Tussen eiser en gedaagde bestond een arbeidsovereenkomst die eindigde per 1 december 2024 na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Hierin was afgesproken dat gedaagde het salaris, een transitievergoeding en een vergoeding voor rechtsbijstand aan eiser zou betalen. Gedaagde betaalde echter slechts een deel van het salaris en weigerde de transitievergoeding en vakantietoeslag te voldoen, stellende dat eiser zich onrechtmatig als zelfstandige had ingeschreven vóór het einde van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelt dat deze inschrijving geen reden is voor gedaagde om niet te betalen, temeer daar geen schade is aangetoond en het concurrentiebeding niet is overtreden. De vaststellingsovereenkomst bevat een finale kwijting die alleen de nakoming van de daarin opgenomen verplichtingen uitsluit. Gedaagde moet daarom het achterstallige loon, de transitievergoeding, vakantietoeslag en wettelijke rente betalen, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens betalingsonwil.
Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot het verstrekken van salarisspecificaties en een eindafrekening binnen drie weken, onder dreiging van een dwangsom. Het concurrentie- en relatiebeding worden geschorst, omdat deze niet meer gelden na de finale kwijting en gedaagde geen belang heeft bij naleving. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, transitievergoeding, vakantietoeslag, verstrekking van specificaties, schorsing van concurrentiebeding en proceskosten.