Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1],
- [eiser], met zijn advocaat; en
- [gedaagden], met hun advocaat en mevrouw W. Versteeg als toehoorder.
1.De beoordeling
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Rechtbank Rotterdam
In deze kort geding procedure vordert eiser de opheffing van het door gedaagden gelegde beslag op zijn onverdeelde helft van het appartementsrecht waarin hij samen met zijn ex-echtgenote woont. De beoordeling richt zich op de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht blijkt, zoals vereist in artikel 705 lid 2 Rv Pro.
Tussen partijen lopen tevens twee bodemprocedures, waarin de rechter nog moet beslissen over het beslag. De voorzieningenrechter beschikt niet over de volledige dossiers van deze procedures, waardoor hij minder informatie heeft dan de bodemrechter. Eiser erkent het vervalsen van een BouwGarant-certificaat, maar betwist persoonlijke onrechtmatigheid, hetgeen echter niet in kort geding kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter gaat daarom voorlopig uit van een onrechtmatige daad van eiser.
Eiser bestrijdt de omvang van de vordering en stelt dat het beslag onnodig is, onder meer omdat de woning zou zijn opgeleverd en garantietermijnen zijn verstreken. Gedaagden betwisten oplevering en wijzen op mogelijke ernstige constructieve gebreken. De voorzieningenrechter kan dit niet definitief vaststellen, maar houdt rekening met mogelijke omvangrijke schade.
In de belangenafweging weegt het belang van gedaagden om het beslag te handhaven zwaarder dan het belang van eiser om het beslag op te heffen, mede gezien de lopende bodemprocedures. Daarom wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het beslag op het appartementsrecht wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.