ECLI:NL:RBROT:2025:6555

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
C/10/698962 / KG ZA 25-391
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 RvArt. 29a RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing van beslag op appartementsrecht in kort geding

In deze kort geding procedure vordert eiser de opheffing van het door gedaagden gelegde beslag op zijn onverdeelde helft van het appartementsrecht waarin hij samen met zijn ex-echtgenote woont. De beoordeling richt zich op de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door gedaagden ingeroepen recht blijkt, zoals vereist in artikel 705 lid 2 Rv Pro.

Tussen partijen lopen tevens twee bodemprocedures, waarin de rechter nog moet beslissen over het beslag. De voorzieningenrechter beschikt niet over de volledige dossiers van deze procedures, waardoor hij minder informatie heeft dan de bodemrechter. Eiser erkent het vervalsen van een BouwGarant-certificaat, maar betwist persoonlijke onrechtmatigheid, hetgeen echter niet in kort geding kan worden vastgesteld. De voorzieningenrechter gaat daarom voorlopig uit van een onrechtmatige daad van eiser.

Eiser bestrijdt de omvang van de vordering en stelt dat het beslag onnodig is, onder meer omdat de woning zou zijn opgeleverd en garantietermijnen zijn verstreken. Gedaagden betwisten oplevering en wijzen op mogelijke ernstige constructieve gebreken. De voorzieningenrechter kan dit niet definitief vaststellen, maar houdt rekening met mogelijke omvangrijke schade.

In de belangenafweging weegt het belang van gedaagden om het beslag te handhaven zwaarder dan het belang van eiser om het beslag op te heffen, mede gezien de lopende bodemprocedures. Daarom wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het beslag op het appartementsrecht wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/698962 / KG ZA 25-391
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 19 mei 2025, houdende mondeling vonnis in de zin van artikel 29a Rv
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Rhoon,
eiser,
advocaat mr. P. van der Mersch te Rotterdam,
tegen

1.[gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rhoon,
gedaagden,
advocaat mr. S. Kegreisz te Rotterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd.
De mondelinge behandeling wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank voor de behandeling van een vordering in kort geding.
Aanwezig zijn mr. C. Bouwman, voorzieningenrechter, en mr. R.W.H. van Rijkom, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
  • [eiser], met zijn advocaat; en
  • [gedaagden], met hun advocaat en mevrouw W. Versteeg als toehoorder.
De zaak wordt met partijen en hun advocaten besproken. Partijen blijven bij de eerder door hen ingenomen standpunten. Na een korte onderbreking wijst de voorzieningenrechter het volgende mondelinge vonnis.

1.De beoordeling

1.1.
[eiser] vordert opheffing van het ten laste van hem door [gedaagden] gelegde beslag op de onverdeelde helft van [eiser] in het appartementsrecht waar hij nog samen met zijn ex-echtgenote woont.
1.2.
De opheffing van het beslag wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld (artikel 705 lid 2 Rv Pro). In deze zaak beperkt de beoordeling zich tot de vraag of summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagden] ingeroepen recht blijkt, aangezien de andere opheffingsgronden zich niet voordoen.
1.3.
Op de achtergrond speelt dat tussen partijen – naast deze zaak – ook twee bodemprocedures lopen. [eiser] heeft de rechter die de bodemprocedures behandelt ook gevraagd om het beslag op het appartementsrecht na de mondelinge behandeling direct op te heffen, maar de behandelend rechter heeft gezegd dat hij daar nog niet toe in staat was en dat hij er nog over na moet denken. [eiser] legt datzelfde verzoek voor in deze zaak, maar de voorzieningenrechter moet het met veel minder informatie doen dan de rechter die de bodemprocedures behandelt. De voorzieningenrechter heeft namelijk niet de beschikking over de volledige procesdossiers van de bodemprocedures en hij heeft ook geen kennis van wat tijdens de mondelinge behandeling in de bodemprocedures is gezegd. Dat maakt het lastig om in deze zaak in te schatten wat de rechter die de bodemprocedures behandelt gaat beslissen.
1.4.
Meer inhoudelijk stelt [eiser] dat hij persoonlijk niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [gedaagden] [eiser] erkent dat het hartstikke fout is dat hij het BouwGarant-certificaat heeft vervalst, maar volgens hem wisten [gedaagden] van de hoed en de rand. Als dat komt vast te staan, zou dat de onrechtmatigheid van het handelen van [eiser] tegenover [gedaagden] kunnen wegnemen. In kort geding kan echter niet worden vastgesteld of [gedaagden] van de hoed en de rand wisten, omdat [gedaagden] dat betwisten. In een bodemprocedure kan op dit punt wel bewijslevering plaatsvinden, bijvoorbeeld door getuigen te horen, en kan nader worden onderzocht hoe het zit, maar in een kort geding is dat niet goed mogelijk. Daarom is het enige dat de voorzieningenrechter op dit moment kan vaststellen, dat [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Gelet daarop moet de voorzieningenrechter er voorshands van uitgaan dat [eiser] persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [gedaagden]
1.5.
[eiser] voert verweer tegen de omvang van de vordering die [gedaagden] op hem stellen te hebben. Het beslag is zijns inziens niet nodig. [eiser] stelt dat zelfs als er een garantie van Bouwgarant was geweest, dat de aanneemsom dan te hoog was om door BouwGarant gedekt te worden en bovendien waren allerlei garantietermijnen al verstreken voordat [gedaagden] daar een beroep op deden. Naar de inschatting van de voorzieningenrechter is de kous daarmee echter niet af. De stellingen van [gedaagden] komen erop neer dat zij door [eiser] zijn opgelicht, doordat hij het – naar achteraf is gebleken ten onrechte – deed voorkomen dat zijn bedrijf hun woning op zorgvuldige wijze onder de garantie van BouwGarant deugdelijk zou bouwen, terwijl hij in werkelijkheid de woning op onzorgvuldige wijze liet bouwen en zelf een valse garantie van BouwGarant opstelde en verstrekte. [eiser] voert aan dat de woning is opgeleverd en dat [gedaagden] ten onrechte voorbij gaan aan de gevolgen die dat heeft. [gedaagden] stellen daarover echter dat er geen oplevering heeft plaatsgevonden, omdat er nooit een formeel rondje met opleverpunten rond de woning is gemaakt, dat [gedaagden] om financiële redenen uiteindelijk echter geen andere keuze hadden dan hun intrek in de onvoltooide woning nemen en dat [eiser] in ieder geval geen beroep op een oplevering kan doen vanwege de door [eiser] gepleegde oplichting. Bovendien stellen [gedaagden] dat nadien uit een deskundigenonderzoek mogelijk ernstige constructieve gebreken in de woning zijn gebleken. De voorzieningenrechter kan in deze zaak niet precies vaststellen hoe het zit met de oplevering van de woning en de gestelde gebreken, maar op basis van de informatie waar de voorzieningenrechter wel over beschikt moet hij rekening houden met de mogelijkheid dat sprake is van schade van zodanige omvang dat deze de door [gedaagden] ingehouden bedragen verre overschrijdt.
1.6.
Een belangenafweging valt uit in het voordeel van [gedaagden] Enerzijds begrijpt de voorzieningenrechter dat [eiser] zijn ex-echtgenote een andere woning wil bieden, maar naar verwachting volgt in de komende weken of maanden een beslissing in de bodemprocedures waarin op alle vorderingen van partijen over en weer (en dus ook het door [gedaagden] gelegde beslag) wordt beslist en het belang van [gedaagden] om het beslag tot die tijd te handhaven weegt zwaarder dan het belang van [eiser].
1.7.
Al het voorgaande maakt dat de voorzieningenrechter op dit moment geen grond ziet om het beslag op te heffen. De daartoe strekkende vordering van [eiser] wordt afgewezen.
1.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.616,00
1.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
1.10.
De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vordering af;
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.616,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
2.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
2.4.
verklaart de veroordelingen onder 2.2. en 2.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2025.
Nadat het vonnis is uitgesproken is de mondelinge behandeling gesloten.
Waarvan proces-verbaal,