Tussen eiseres en gedaagde bestond een overeenkomst waarbij gedaagde personeel inhuurde van eiseres. Eiseres bracht achteraf een hoger voormantarief in rekening voor de inzet van twee personeelsleden in 2020 en 2021, wat gedaagde betwistte. Eiseres vorderde betaling van het verschil van €17.335,15 plus rente en kosten.
De kern van het geschil was of partijen een afspraak hadden gemaakt over het hogere voormantarief. Eiseres moest dit bewijzen en bracht hiertoe getuigenverklaringen in. Gedaagde voerde verweer en bracht eigen getuigen naar voren. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet slaagde in haar bewijsopdracht.
De verklaringen van getuigen van eiseres wezen op een procedure voor tijdelijke inzet van voormannen, maar voor de specifieke inzet waar het om ging was geen inkooporder of andere bevestiging gevonden. Gedaagde toonde aan dat de inzet volgens de gemaakte afspraken in het systeem verwerkt had moeten zijn en dat correcties snel werden doorgevoerd, wat niet het geval was.
Daarom was geen grondslag voor de vordering van eiseres. De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde eiseres tot betaling van de proceskosten van €1.789,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.