ECLI:NL:RBROT:2025:6723
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens niet opleggen loonsanctie door UWV
Verzoeker, een werknemer die zich in oktober 2020 ziek meldde, vroeg schadevergoeding aan het UWV wegens het niet opleggen van een loonsanctie aan zijn werkgever. Hoewel het UWV erkende dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, werd geen loondoorbetalingsverplichting opgelegd omdat de werkgever niet tijdig was geïnformeerd.
Verzoeker stelde dat hij schade had geleden door een lagere loonbetaling in het derde ziektejaar, het verlies van vakantiedagen en het eerder ingaan van zijn WW-uitkering. De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij aanspraak kon maken op meer dan 70% loon in het derde ziektejaar, dat het gebruik van de auto van de zaak niet was onderbouwd, en dat de vakantiedagen niet gecompenseerd hoefden te worden omdat er geen bewijs was dat hij deze niet redelijkerwijs kon opnemen.
Ook was onvoldoende onderbouwd dat het eerder ingaan van de WW-uitkering tot schade had geleid. De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat schadevergoeding alleen wordt toegekend als de schade voldoende aannemelijk is en in verband staat met het onrechtmatig besluit. Daarom werd het verzoek tot schadevergoeding afgewezen en kreeg verzoeker geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens het niet opleggen van een loonsanctie wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gestelde schade.