ECLI:NL:RBROT:2025:6768

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
8 juni 2025
Zaaknummer
C/10/696171 / JE RK 25-547
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige wegens positieve gedragsontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 14 maart 2025 een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een 17-jarige minderjarige vanwege zorgwekkend en problematisch gedrag richting de moeder, waarbij vrijwillige hulpverlening onvoldoende bleek.

Tijdens de zitting op 18 april 2025, met aanwezigheid van de moeder, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, is vastgesteld dat de minderjarige en de moeder actief deelnemen aan hulpverlening en dat het gedrag van de minderjarige aanzienlijk is verbeterd. De minderjarige heeft inzicht gekregen in haar gedrag en kan haar emoties beter reguleren.

De kinderrechter concludeert dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling niet zijn vervuld, mede vanwege de positieve ontwikkelingen en het vertrouwen in voortzetting van het vrijwillige hulptraject. Daarom wordt het verzoek van de Raad afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen vanwege positieve gedragsontwikkeling en actieve deelname aan vrijwillige hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/696171 / JE RK 25-547
Datum uitspraak: 18 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad van 14 maart 2025 is door de rechtbank ontvangen op 17 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
Aangezien de moeder Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Perzische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [tolk] , tolk in de Perzische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI tot aan haar meerderjarigheid en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht het als volgt toe. Het problematische gedrag van [minderjarige] richting de moeder is zorgwekkend. [minderjarige] lijkt zich niet bewust van de mogelijke gevolgen. Er is geen concreet zicht op de geboden hulp binnen het vrijwillig kader. Mentaal Beter Jong heeft signalen geuit dat [minderjarige] hulp vermijdt. Dit baart de Raad zorgen. Er moet een passend hulptraject worden ingezet voor [minderjarige] en de moeder. Welk traject dat moet zijn, moet de komende periode in kaart worden gebracht. Er is behoefte aan diagnostiek en psychologische hulp voor [minderjarige] . Ook moet worden ingezet op Multi Systeem Therapie om [minderjarige] en de moeder te ondersteunen en dichter bij elkaar te brengen.
4. De standpunten
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Gelet op de aanwezige zorgen is het van belang dat [minderjarige] verplicht wordt om mee te werken aan de hulpverlening, zodat deze effectief kan worden toegepast. Als er reeds in het vrijwillig kader hulp voor [minderjarige] en de moeder is ingezet, is het doel vanuit de GI om aanvullende steun te bieden.
4.2.
De moeder verzoekt het verzoek van de Raad af te wijzen. De afgelopen twee maanden ziet de moeder een sterke verbetering in het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] gaat nu beter om met haar emoties en vertoont geen woede-uitbarstingen meer. Zij accepteert nu de regels thuis. De moeder en [minderjarige] krijgen al een tijdje hulp vanuit Enver. De moeder is tevreden met de geboden ondersteuning, die tot het einde van het jaar zal doorlopen. Het is de bedoeling om dit traject voort te zetten zolang dat nodig is. Daarnaast staat [minderjarige] op de wachtlijst van Mentaal Beter Jong. De moeder staat terughoudend tegenover het gedwongen kader en maakt zich zorgen over de mogelijk negatieve impact ervan op [minderjarige] . [minderjarige] is een intelligent meisje met grote ambities. Het is belangrijk dat zij zich kan concentreren op school. Het gedwongen kader en de bijbehorende extra hulpverlening leggen mogelijk te veel druk op haar.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de zorg die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er ten tijde van het raadsonderzoek grote zorgen waren over de ontwikkeling van de 17-jarige [minderjarige] . Zij liet sterk zelfbepalend gedrag zien en er waren signalen dat zij de moeder mishandelde als zij haar zin niet kreeg. De moeder leek onmachtig om [minderjarige] de strakke kaders en structuur te bieden die zij nodig heeft, waardoor [minderjarige] haar mening en eigen wil hardhandig doordrukte. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder deze zorgen erkend. Tegelijkertijd heeft zij verklaard dat er in de afgelopen maanden aanzienlijke, positieve veranderingen zichtbaar zijn in het gedrag van [minderjarige] . In de periode van 10 januari 2025 tot 27 februari 2025 heeft [minderjarige] op vrijwillige basis in een crisisopvang verbleven. [minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij toen begon in te zien dat er iets moet veranderen. Zij lijkt inzicht te hebben gekregen in haar gedrag en is beter in staat om haar emoties te reguleren, waardoor zij minder problematisch gedrag vertoont. De zorgen over [minderjarige] zijn daarmee afgenomen. Verder lijken [minderjarige] en de moeder open te staan voor de reeds in het vrijwillig kader ingezette hulp vanuit Enver en nemen zij deze hulp actief aan. De kinderrechter vertrouwt erop dat [minderjarige] en de moeder de ingezette stijgende lijn voortzetten en dat zij in staat zijn om de situatie verder te verbeteren in het vrijwillig kader. Gezien de positieve ontwikkelingen van de afgelopen maanden, de afname van de zorgen, en de actieve deelname van [minderjarige] en de moeder aan het hulptraject binnen het vrijwillig kader, is er op dit moment geen aanleiding voor een ondertoezichtstelling.
5.3. Omdat niet is voldaan aan het hiervoor onder 5.1 geschetste wettelijke criterium, zal de kinderrechter het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2025 door
mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier,
en op schrift gesteld op 1 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.