ECLI:NL:RBROT:2025:6924

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
ROT 25/3570
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 Wet basisregistratie personenArt. 4:8 Algemene wet bestuursrechtArt. 4.6 Circulaire Adresonderzoek BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen ambtshalve uitschrijving uit basisregistratie personen

Verzoeker is sinds 2007 ingeschreven op een woningadres en werd ambtshalve per 12 december 2024 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (BRP) door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college baseerde dit op de veronderstelling dat verzoeker niet op het adres woonde en geen nieuw adres had doorgegeven, verwijzend naar artikel 2.22 van de Wet BRP en de Circulaire Adresonderzoek BRP.

Verzoeker betwist de uitschrijving en stelt dat hij sinds 12 december 2024 weer zelf op het adres woont. Hij reageerde tijdig op het bericht van het college en gaf aan dat hij nog steeds op het adres woont. De voorzieningenrechter constateerde dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen, omdat het college niet duidelijk een voornemen tot uitschrijving heeft kenbaar gemaakt en verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om te reageren op onderzoeksbevindingen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot uitschrijving ingrijpende gevolgen heeft en niet lichtvaardig mag worden genomen. De aanwezigheid van derden in de woning in de periode augustus tot december 2024 is niet doorslaggevend voor de huidige woonsituatie. Foto’s en verklaringen van controleurs overtuigen niet volledig. Gezien de nadelige gevolgen van de uitschrijving en de redelijke kans van slagen van het bezwaar, wordt het besluit geschorst.

Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van verzoeker. De voorlopige voorziening geldt tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit tot uitschrijving uit de BRP wordt geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3570

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.Z.D. Nasrullah),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de ambtshalve uitschrijving van verzoeker per 12 december 2024 uit de basisregistratie personen (brp). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe omdat de procedure niet zorgvuldig is verlopen en niet kan worden gezegd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft het college verzoeker ambtshalve per 12 december 2024 uitgeschreven uit de brp. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Verzoeker is sinds 13 april 2007 rechthebbende (recht van erfpacht) van de woning op het adres [adres] (het adres) en was op dit adres ingeschreven in de brp.
Het bestreden besluit
4. Het college heeft verzoeker per 12 december 2024 uitgeschreven uit de brp omdat verzoeker volgens het college niet woont op het adres en ook geen nieuw adres heeft doorgegeven. Het college heeft onder meer verwezen naar artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het college zich laat leiden door de Circulaire Adresonderzoek BRP (de Circulaire).
Het standpunt van verzoeker
5. Verzoeker voert aan dat het college hem niet had mogen uitschrijven. Het college heeft ten onrechte aangenomen dat verzoeker niet op het adres woont. Op de zitting heeft verzoeker erkend dat in de periode augustus 2024 tot december 2024 derden in de woning hebben verbleven. Dit betrof volgens verzoeker mensen die op zoek waren naar onderdak. Sinds 12 december 2024 woont verzoeker echter weer zelf in de woning. Verzoeker heeft ook tijdig gereageerd op het bericht van het college van 12 december 2024 (verzoek tot adreswijziging). In zijn reactie heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat hij nog steeds woont op het adres. Dat nadien bij een huisbezoek is geconstateerd dat hij niet thuis was, is volgens verzoeker onvoldoende om hem uit te schrijven. Verzoeker is van mening dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen. Daarbij wijst hij op de voor hem nadelige gevolgen van de uitschrijving. De zorgverzekeraar dreigt de zorgverzekering te beëindigen. Meer in het algemeen bemoeilijkt de uitschrijving het contact met (overheids)instanties.
Spoedeisend belang
6. In wat verzoeker heeft aangevoerd over de problemen die de uitschrijving oplevert, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen.
De inhoudelijke beoordeling
7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek moet worden toegewezen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
7.2.
Een besluit tot uitschrijving uit de brp is een besluit met ingrijpende gevolgen. Zo’n besluit mag daarom niet lichtvaardig worden genomen. In dit verband is van belang dat het college, gelet op artikel 4.6 van de Circulaire, de betrokkene eerst schriftelijk in kennis moet stellen van het voorgenomen besluit, zodat hij daarop kan reageren. [1] De voorzieningenrechter heeft niet kunnen constateren dat dit op voldoende zorgvuldige wijze is gebeurd. Volgens het college moet de brief van 12 december 2024 als een voornemen tot uitschrijving worden gezien. De voorzieningenrechter kan het college daarin niet volgen. Deze brief vermeldt dat wordt vermoed dat verzoeker niet meer op het adres woont. Verzoeker wordt daarom verzocht zijn verhuizing aan de gemeente door te geven. Als verzoeker wel op het adres woont, kan hij dat invullen op het (bij de brief gevoegde) formulier Verklaring woonadres en dit formulier terugsturen. Als verzoeker niets doet, wordt hij uitgeschreven uit de brp. In deze brief staat niet dat het college voornemens is verzoeker uit te schrijven. Dat zal alleen gebeuren als verzoeker niet reageert. Dit heeft verzoeker echter wel gedaan. Hij heeft het college in een e-mail van 9 januari 2025 laten weten dat hij wel op het adres woont. Ook de e-mail van 20 maart 2025 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden beschouwd als een voornemen tot uitschrijving. In deze e-mail is vermeld dat verzoeker binnen vijf werkdagen een aangifte voor een adreswijziging moet indienen. Doet hij dit niet, dan wordt hij uitgeschreven uit de brp. Dit kan niet worden gezien als een voornemen tot uitschrijving. Deze e-mail gaat er immers van uit dat verzoeker niet op het adres woont. Dat is juist wat verzoeker betwist. Daarvan uitgaande kan het doen van aangifte van een adreswijziging niet aan de orde zijn. Overigens heeft het college verzoeker ook niet op de hoogte gesteld van zijn onderzoeksbevindingen. Ook in zoverre heeft het college verzoeker niet op zorgvuldige wijze in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen om tot uitschrijving over te gaan.
7.3.
De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat de procedure niet voldoende zorgvuldig is geweest. Gelet hierop, en op de nadelige gevolgen van een uitschrijving uit de brp, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het besluit te schorsen.
7.4.
Hierbij komt dat vooralsnog niet gezegd kan worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dat in december derden in de woning van verzoeker zijn aangetroffen, is niet per se bepalend voor de huidige woonsituatie van verzoeker. Verder hebben controleurs van het college weliswaar een aantal malen geprobeerd een huisbezoek af te leggen, maar dat is meestal overdag gebeurd, terwijl verzoeker heeft verklaard dan niet thuis te zijn. De controleurs hebben ook enkele ‘omwonenden’ gesproken, maar hun verklaringen zijn slechts summier opgenomen. De voorzieningenrechter weegt ook mee dat de foto’s die controleurs hebben gemaakt bij een nadere controle in het kader van een door verzoeker op 23 april 2025 gedane ‘aangifte hervestiging’, niet onmiddellijk overtuigen. Zo is er weliswaar een foto gemaakt van een lege kamer, maar is onduidelijk gebleven waarom alleen van deze kamer een foto is gemaakt en niet van de andere kamer die volgens verzoeker zichtbaar is vanaf de galerij. Verzoeker heeft foto’s overgelegd van ingerichte kamers. Een en ander kan in de bezwaarprocedure nader worden uitgezocht.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verzoeker vooralsnog weer ingeschreven staat op het adres.
9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt hij dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
10. De voorzieningenrechter veroordeelt het college verder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • draagt het college op het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.