Verzoeker is sinds 2007 ingeschreven op een woningadres en werd ambtshalve per 12 december 2024 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (BRP) door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college baseerde dit op de veronderstelling dat verzoeker niet op het adres woonde en geen nieuw adres had doorgegeven, verwijzend naar artikel 2.22 van de Wet BRP en de Circulaire Adresonderzoek BRP.
Verzoeker betwist de uitschrijving en stelt dat hij sinds 12 december 2024 weer zelf op het adres woont. Hij reageerde tijdig op het bericht van het college en gaf aan dat hij nog steeds op het adres woont. De voorzieningenrechter constateerde dat de procedure niet zorgvuldig is verlopen, omdat het college niet duidelijk een voornemen tot uitschrijving heeft kenbaar gemaakt en verzoeker onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om te reageren op onderzoeksbevindingen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot uitschrijving ingrijpende gevolgen heeft en niet lichtvaardig mag worden genomen. De aanwezigheid van derden in de woning in de periode augustus tot december 2024 is niet doorslaggevend voor de huidige woonsituatie. Foto’s en verklaringen van controleurs overtuigen niet volledig. Gezien de nadelige gevolgen van de uitschrijving en de redelijke kans van slagen van het bezwaar, wordt het besluit geschorst.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van verzoeker. De voorlopige voorziening geldt tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.