ECLI:NL:RBROT:2025:6945
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. Daum
- W.J. de Veld
- A.C.M. Klaasse
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende aannemelijkheid van wederrechtelijk voordeel
De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 juni 2025 de ontnemingsvordering tegen betrokkene, veroordeeld voor medeplegen van het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 42.155,-, gebaseerd op een lagere schatting dan aanvankelijk vanwege verdeling met medeveroordeelden.
Tijdens de terechtzittingen op 6 december 2022, 18 januari 2023 en 22 mei 2025 is vastgesteld dat betrokkene samen met haar zoon betrokken was bij het laten verrichten van arbeid door personen met een lager dan wettelijk minimumloon en het niet afdragen van werkgeverslasten. Hoewel zij als medepleger is veroordeeld, is niet aannemelijk geworden dat zij persoonlijk voordeel heeft genoten uit deze baten.
De rechtbank oordeelt dat het ontnemingsbedrag niet het feitelijke voordeel van betrokkene weerspiegelt. De onderneming waar de arbeid werd verricht was van haar zoon, en er zijn onvoldoende aanwijzingen dat kostenbesparingen ook tot voordeel van betrokkene hebben geleid. Evenmin is aannemelijk dat zij voordeel heeft verkregen uit soortgelijke feiten van medeveroordeelden.
Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht wordt de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. De rechtbank benadrukt dat het openbaar ministerie de bewijslast draagt om het voordeel aannemelijk te maken, hetgeen hier niet is gelukt.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat betrokkene voordeel heeft genoten.