Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 januari 2025, met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord, met bijlagen;
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert eiseres betaling van een huurachterstand van €11.800,- over de periode van 1 januari 2023 tot en met 1 juni 2024 voor een woning aan een adres te Rotterdam. Gedaagde betwist dat hij huurder was gedurende deze periode en stelt dat een werknemer van hem de huurovereenkomst heeft gesloten en verantwoordelijk is voor de huurbetalingen.
De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet huurder was. De stelling dat hij slechts drie maanden in de woning heeft gewoond wordt niet ondersteund door bewijs en wordt tegengesproken door WhatsApp-berichten waarin gedaagde de achterstand erkent en een betalingsregeling wenst. Ook is niet komen vast te staan dat de werknemer een huurovereenkomst met eiseres heeft gesloten.
De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van €11.593,55 aan huurachterstand, rekening houdend met het feit dat de huurovereenkomst op 27 mei 2024 is geëindigd. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten en rente wordt afgewezen omdat de overeenkomst een oneerlijke boetebepaling bevat die afwijkt van de wettelijke regeling ten nadele van de consument. Proceskosten worden toegewezen aan eiseres en begroot op €456,04. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €11.593,55 huurachterstand, incassokosten en rente worden afgewezen vanwege oneerlijke bepaling.