ECLI:NL:RBROT:2025:7072

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
10.382043.24, 10.203809.23 (vordering TUL)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in Rotterdam

De verdachte werd verdacht van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een woning te Rotterdam in de periode van 25 tot 30 november 2024. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.

Tijdens de terechtzitting op 23 mei 2025 werd vastgesteld dat de verdachte weliswaar op de hoogte was van het wapen in de woning waar zij verbleef, maar dat zij geen feitelijke macht had over het wapen omdat het zich in een kamer bevond waar zij geen toegang toe had en zij door een medeverdachte was gewaarschuwd het wapen niet te verplaatsen.

De rechtbank oordeelde dat niet met redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de verdachte het wapen voorhanden had gehad en sprak haar vrij. Tevens werd de gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen omdat de verdachte niet had gehandeld in strijd met de voorwaarden.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 6 juni 2025.

Uitkomst: De verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en de gevorderde tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10.382043.24
Parketnummer vordering TUL: 10.203809.23
Datum uitspraak: 6 juni 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
raadsman: mr. M.P. Kloppenburg, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.L. van Montfoort heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering;
  • afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer
10.203809.23.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Het kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft begaan. Volgens de verklaring van de verdachte was zij ervan op de hoogte dat zich een wapen bevond in de woning van haar vriendin en [medeverdachte 1] , waar zij destijds verbleef. De verdachte had ook beschikkingsmacht over het wapen. Zij heeft immers verklaard dat ze het wapen bij de deur van [medeverdachte 2] zou neerleggen als het wapen niet zou worden opgehaald. Dat het wapen in een slaapkamer lag waar zij niet kwam doet daar niet aan af.
4.1.2.
Beoordeling
Op 30 november 2024 is de verdachte in de woning van haar vriendin aangehouden nadat in diezelfde woning een automatisch vuurwapen was aangetroffen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad.
De Hoge Raad heeft voor de beantwoording van deze vraag het volgende beoordelingskader geformuleerd. Voor bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de verdachte zich min of meer bewust was van de aanwezigheid van dat wapen. Voorts moet worden vastgesteld dat de verdachte over het wapen kon beschikken, dat wil zeggen daarover feitelijke macht kon uitoefenen. Daarvan kan ook sprake zijn als het zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte bevindt.
Uit het dossier volgt dat het wapen vanaf 25 november 2024 in de woning van [medeverdachte 1] heeft gelegen. De verdachte heeft verklaard dat zij bij [medeverdachte 1] logeerde en dat zij op enig moment een vermoeden had dat daar een wapen werd bewaard. Vanaf het moment dat de [medeverdachte 3] – die eerder in de woning met het wapen bezig was geweest – bij metrostation Beurs tegenkwam, wist zij naar eigen zeggen zeker dat het om een vuurwapen ging. Vanaf dat moment was de verdachte zich dus in ieder geval bewust van de aanwezigheid van het wapen.
Voor de vraag of de verdachte over het wapen kon beschikken geldt het volgende. Van belang is dat de verdachte in de woning logeerde en het wapen dus niet in haar eigen woning is aangetroffen. De verdachte had weliswaar feitelijk toegang tot de kamer waar het wapen is aangetroffen, maar dat was niet de kamer waar zij verbleef. Als logée had zij niets te zoeken in die kamer. De verdachte heeft naar eigen zeggen het wapen ook pas voor het eerst gezien toen de politie het in beslag nam. Bovendien had [medeverdachte 3] haar dreigend gezegd dat zij het wapen niet mocht verplaatsen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte niet over het wapen kon beschikken. Daaraan doet niet af dat de verdachte heeft gezegd dat zij het wapen voor de deur van de moeder van [medeverdachte 2] zou neerleggen, want dat kan gelet op de omstandigheden bluf zijn geweest.
4.1.3.
Conclusie
Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad. Zij moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Vordering tenuitvoerlegging

5.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 31 januari 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot voor zover van belang een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 70 uren subsidiair 35 dagen vervangende jeugddetentie waarvan 35 uren subsidiair 17 dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 februari 2024.
5.2.
Beoordeling
Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, kan niet worden geoordeeld dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging wordt daarom afgewezen.

6.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 31 januari 2024 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. R.D.M. de Boer en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
zij in of omstreeks de periode van 25 november 2024 tot en met 30 november 2024
te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 en/of onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Zastava, type M70 AB2, kaliber 7.62x39mm zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd voorhanden heeft gehad.