De verdachte werd verdacht van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een woning te Rotterdam in de periode van 25 tot 30 november 2024. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzitting op 23 mei 2025 werd vastgesteld dat de verdachte weliswaar op de hoogte was van het wapen in de woning waar zij verbleef, maar dat zij geen feitelijke macht had over het wapen omdat het zich in een kamer bevond waar zij geen toegang toe had en zij door een medeverdachte was gewaarschuwd het wapen niet te verplaatsen.
De rechtbank oordeelde dat niet met redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de verdachte het wapen voorhanden had gehad en sprak haar vrij. Tevens werd de gevorderde tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen omdat de verdachte niet had gehandeld in strijd met de voorwaarden.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 6 juni 2025.