De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen voor de duur van een jaar. De kinderrechter hield op 27 mei 2025 een zitting met gesloten deuren, waarbij de ouders met hun advocaat en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren. Vanwege taalbarrières werd een beëdigde tolk ingezet.
De feiten wezen uit dat de kinderen bij hun ouders wonen en dat de ondertoezichtstelling kort was verlengd tot 2 juni 2025. De GI gaf aan dat er in het afgelopen jaar weinig hulpverlening was ingezet, mede door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer. Er was een positieve ontwikkeling zichtbaar, onder meer doordat de psychische problematiek van de vader onder controle was en de ouders openstonden voor hulp in het vrijwillige kader.
De ouders voerden verweer tegen verlenging, stellende dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging was en dat de psychische situatie van de vader was verbeterd. De kinderrechter oordeelde dat niet langer werd voldaan aan het wettelijke criterium voor ondertoezichtstelling, omdat er geen concrete en ernstige zorgen over de ontwikkeling van de kinderen waren. De doelen in het gezinsplan waren te algemeen en onvoldoende onderbouwd.
De kinderrechter concludeerde dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer niet langer noodzakelijk was en wees het verzoek tot verlenging af. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.