Op 24 juni 2016 werd het slachtoffer belaagd waarbij sprake was van poging tot verkrachting en aanranding. Het slachtoffer deed aangifte en er werd DNA-materiaal verzameld. Na aanvullend DNA-onderzoek jaren later bleek er een mogelijke match met de verdachte, maar de rechtbank oordeelde dat dit bewijs onvoldoende was.
De verdachte ontkende de beschuldigingen krachtig en verklaarde het slachtoffer niet te kennen en niet op de betreffende locatie te zijn geweest. De rechtbank stelde dat het DNA op de handpalm van het slachtoffer op verschillende manieren kon zijn terechtgekomen zonder strafbaar handelen. Het DNA op de rechterborst kon ook afkomstig zijn van een mannelijk familielid van de verdachte of een andere man.
Gezien de tegenstrijdige verklaringen en de onzekerheid over de herkomst van het DNA, was de rechtbank niet overtuigd van de schuld van de verdachte. Daarom werd het primaire en subsidiaire ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen geacht en werd de verdachte vrijgesproken.