4.1.3.Beoordeling
Op 5 januari 2025 werden verbalisanten naar aanleiding van een melding dat meerdere kelderboxen waren opengebroken, gedirigeerd naar het Paganinipad in Spijkenisse.
Aldaar aangekomen hebben de verbalisanten meerdere geopende deuren aangetroffen, welke toegang gaven tot de bij de woningen behorende kelderboxen. De kelderboxdeur van nummer [huisnummer X] was versplinterd en opengebroken en het slot was geforceerd en verbogen. Bij onderzoek in de kelderbox werden in totaal 20 grote kartonnen dozen aangetroffen en alle dozen waren voorzien van een etiket met Chinese tekens, welke vertaald naar de Nederlandse taal ‘kleurstof’ betekende. Het adres behorend bij de woning met huisnummer [huisnummer X] was bij de politie ambtshalve bekend als het inschrijfadres van de verdachte. Na controle in het politie processensysteem werd een registratie aangetroffen, waarin stond vermeld dat de verdachte vermoedelijk in de heroïnehandel zat.
De aangetroffen dozen werden in beslag genomen en na het openen van die dozen werden
jerrycansmet inhoud aangetroffen. Later onderzoek heeft uitgewezen dat er drie verschillende stoffen in de
jerrycanszaten, te weten 50 kilogram aan kaliumcarbonaat, 100 liter aan 5-broom-1-penteen en 250 liter aan het oplosmiddel
N,N-dimethylformamide (DMF). Deze stoffen worden samen gebruikt bij de vervaardiging van synthetische cannabinoiden (synthetische drugs). De verdachte werd later aangehouden.
Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.
Op grond van de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden ontstaan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het treffen van voorbereidingen voor de vervaardiging van synthetische drugs. Van de verdachte mocht daarom worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring zou geven over de aanwezigheid van de aangetroffen grote hoeveelheden stoffen in zijn kelderbox. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als een dergelijke verklaring kan worden aangemerkt en dat de verdachte telkens wisselend dan wel niet consistent heeft verklaard over de wetenschap van de stoffen die in zijn kelderbox zijn aangetroffen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte tijdens het gehele voorbereidend onderzoek en de inhoudelijke behandeling iedere betrokkenheid bij het treffen van voorbereidingen voor de vervaardiging van synthetische drugs, stellig heeft ontkend. Volgens de verdachte had de vriend aan wie hij zijn kelderbox ter beschikking heeft gesteld, zelf de dozen ter bewaring in zijn kelderbox. Deze dozen zouden later door andere personen weer worden opgehaald. Bij zijn aanhouding heeft de verdachte verklaard dat hij niet wist welke stoffen in de dozen zaten. Vervolgens heeft de verdachte tijdens het verhoor bij de politie verklaard dat zijn vriend aan hem had medegedeeld dat de stoffen in de dozen voor planten bestemd waren en niets met drugs te maken hadden. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat de stoffen in de dozen voor planten of (hetgeen zijn vriend hem later zou hebben gezegd) voor autobanden bestemd waren.
Tijdens de inhoudelijke behandeling, door de rechtbank geconfronteerd met de constatering dat hij telkens wisselende verklaringen heeft afgelegd, verklaarde de verdachte onder meer dat zijn vriend aan hem had medegedeeld dat de inhoud van de dozen zowel voor planten als ook voor autobanden bestemd waren. Deze verklaring zou volgens de verdachte niet correct in het proces-verbaal van verhoor bij de politie zijn opgenomen.
De rechtbank hecht geen geloof aan de door de verdachte ter terechtzitting geschetste gang van zaken, en gaat dan ook aan deze verklaring voorbij. Daarbij komt dat de rechtbank geen reden heeft om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring te twijfelen, met dien verstande dat op ambtseed door de verbalisanten is gerelateerd hetgeen door de verdachte is verklaard. De verdachte heeft nadat hij deze verklaring had doorgelezen verklaard daarmee in te stemmen en ook ondertekend.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zijnde de hoofdbewoner van de woning, met daarbij behorende kelderbox, toegang tot deze ruimtes. De verdachte wordt daarom verondersteld bekend te zijn met hetgeen zich in zijn woning en in de kelderbox bevindt. Van de verdachte kan daarom minst genomen worden verwacht dat hij nader onderzoek zal doen naar de in zijn kelderbox bewaarde dozen. Ondanks dat de verdachte de situatie kennelijk niet vertrouwde en zelf aan zijn vriend zou hebben gevraagd of de stoffen betrekking hadden op drugs, is nader onderzoek van de zijde van de verdachte uitgebleven. Dat onderzoek had wel voor de hand gelegen, omdat de mededeling dat het stoffen betrof die zowel geschikt zouden zijn voor de plantenkweek als voor het reinigen van autovelgen op zijn minst argwaan had moeten oproepen. Verder blijkt ook niet dat verdachte de vriend heeft gevraagd waarom de stoffen bij hem moesten worden opgeslagen en wat voor derden deze dan weer zouden komen ophalen. Bovendien kon de verdachte geen verklaring geven voor de reden waarom hij deze ‘specifieke’ vraag naar het verband met drugs aan zijn vriend had gesteld. Daarnaast kon de verdachte geen aanvullende persoons- of contactgegevens van deze ‘vriend’ geven, ondanks dat hij naar eigen zeggen al (vijftien) jaren met hem bevriend is. De verklaring van de verdachte dat toen hij zijn vriend niet kon bereiken, hij zijn nummer maar uit zijn telefoon heeft gewist, komt de rechtbank daarom ook onwaarschijnlijk voor. Temeer nu de dozen van deze vriend nog in de kelderbox van de verdachte te vinden waren.
Het voorgaande, alsmede het op de dozen vermelde afleveradres van een asbestverwerkingsbedrijf in Soesterberg, de etiketten met Chinese tekens en het vermoeden dat de verdachte betrokken zou zijn bij drugshandel, leidt de rechtbank tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er hulpstoffen voor de vervaardiging van drugs in zijn kelderbox werden bewaard. Gelet op de toegang die de verdachte had tot de kelderbox kon hij hierover beschikken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er minst genomen sprake is van voorwaardelijk opzet op het aanwezig hebben van deze hulpstoffen.
Ten aanzien van de rol van de verdachte bij het ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.
Medeplegen (primair)
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen is komen vast te staan. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage van de verdachte, zoals deze uit het dossier is gebleken, is van onvoldoende gewicht geweest voor het aannemen van medeplegen van het treffen van voorbereidingen voor de vervaardiging van synthetische drugs.
De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Medeplichtigheid (subsidiair)
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen bestond de medeplichtigheid van de verdachte uit het leveren van een faciliterende bijdrage, te weten het ter beschikking stellen van zijn kelderbox. Daarmee heeft de verdachte aan een ander of anderen de gelegenheid en middelen verschaft om, ter voorbereiding van een strafbaar feit uit de Opiumwet, (hulp)stoffen op te slaan en voorhanden te hebben. Door aldus te handelen hebben betreffende voorbereidingshandelingen plaats kunnen vinden.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zowel opzet had op het verschaffen van gelegenheid en middelen, door zijn kelderbox ter beschikking te stellen, als voorwaardelijk opzet op het gronddelict, te weten de voorbereidingshandelingen. Het verweer wordt dan ook verworpen.