De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de officier van justitie tot doorhaling van een geboorteakte met latere naamskeuzevermelding en vervanging door een akte conform een nieuw voorstel. De ouders hadden digitaal geboorteaangifte gedaan met een gecombineerde geslachtsnaam, maar deze was niet correct opgenomen in de geboorteakte. Later werd een akte van naamskeuze opgemaakt, die echter onterecht was omdat naamskeuze bij elektronische aangifte niet mogelijk is.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever registratie van een gecombineerde achternaam bij elektronische geboorteaangifte alleen toestaat op de dag van aangifte en dat de overgangsregeling voor latere naamskeuze niet meer geldt voor kinderen geboren vanaf 2024. Het verzoek tot doorhaling werd afgewezen omdat toewijzing zou leiden tot antidatering van een akte zonder wettelijke grondslag.
De rechtbank stelde vast dat de onterecht opgemaakte akte van naamskeuze en de latere vermelding in de geboorteakte en BRP in stand kunnen blijven op grond van het vertrouwensbeginsel. De ouders mochten erop vertrouwen dat de ambtenaar deskundig handelde en dat de naamskeuze rechtsgeldig was. Hierdoor blijft de situatie gehandhaafd waarin het kind de gecombineerde geslachtsnaam voert.
Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag, uitsluitend door een advocaat in te stellen binnen drie maanden na dagtekening.