Deze bestuursrechtelijke uitspraak van de rechtbank Rotterdam betreft een beroep tegen het door het college verleende vergunning voor kamerbewoning door maximaal zes personen in een woning te [plaats 1]. Eiseres, wonende naast de woning, stelde dat de vergunning ten onrechte was verleend vanwege ervaren overlast en betwistte de toepassing van het overgangsrecht.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat op de peildatum van 31 december 2019 zes bewoners in de woning waren, ondanks dat de Basisregistratie Personen slechts drie inschrijvingen vermeldde. Dit werd onderbouwd met huurovereenkomsten en bankafschriften. De vrije bewijsleer in het bestuursrecht staat het college toe om op meerdere bewijsmiddelen af te gaan.
Verder heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar overlast, waarbij geen concrete meldingen van overlast aan de woning werden gevonden. De vragenlijsten met algemene buurtklachten waren onvoldoende specifiek om overlast aan de woning te relateren. De rechtbank stelt dat het college een ruime beoordelingsruimte heeft en dat de vergunning terecht is verleend zonder aantasting van het woonmilieu en de leefbaarheid.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.