Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij één schuldeiser met twee vorderingen werd betrokken. De schuldregeling betrof een nulaanbod gebaseerd op de voortzetting van een Participatiewet-uitkering, zonder afloscapaciteit.
Vijf schuldeisers stemden in met het voorstel, maar één schuldeiser, met vorderingen uit partner- en kinderalimentatie, weigerde. Deze schuldeiser stelde dat verzoeker zijn verplichtingen niet nakomt en onvoldoende meewerkt, terwijl verzoeker verklaarde actief te zoeken naar werk en zijn situatie te willen verbeteren.
De rechtbank oordeelde dat de schuldeiser in redelijkheid kon weigeren, gezien het aanzienlijke aandeel van haar vorderingen in de totale schuld en het feit dat het voorstel niet het uiterste was wat van verzoeker verwacht mocht worden. Er was geen bewijs van blijvende arbeidsongeschiktheid en de afloscapaciteit kon niet als definitief worden aangenomen. Daarom woog het belang van de schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers, en werd het verzoek afgewezen.