Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 23 april 2025 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b van de Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was eerder bevolen in een vonnis van 4 maart 2025.
Tijdens de zitting op 2 juni 2025 bleek dat verzoeker inmiddels fulltime werkt en de huur voor april, mei en juni 2025 is voldaan. Verweerster, de verhuurder, bevestigde dit en was bereid om verzoeker een kans te geven onder voorwaarde van blijvende huurbetaling en contact.
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. Het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten weegt zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wijst de rechtbank het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond.
De voorziening geldt vanaf 23 april 2025 en wordt onder voorwaarden verlengd, waarbij schuldhulpverlening verslag moet uitbrengen twee weken voor afloop van het moratorium.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming van de huurwoning op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.