Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- de heer [persoon B] , werkzaam bij stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 30 april 2024 en stond gepland voor 11 juni 2025.
Verzoeker kampt met schuldenproblematiek ontstaan tijdens de coronaperiode en heeft wisselende inkomsten uit een WW-uitkering. Hij werkt samen met schuldhulpverlening die een budgetbeheer zal opstarten om toekomstige huurbetalingen te waarborgen. De huur van mei 2025 is voldaan en de betaling van juni 2025 wordt verwacht na ontvangst van de WW-uitkering.
Verweerster erkent de huurachterstand en het belang van tijdige betaling van lopende termijnen, maar stelt dat bij niet-naleving definitieve ontruiming zal volgen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende termijnen betaald zullen worden en weegt het belang van verzoeker om in zijn woning te blijven zwaarder dan het belang van verweerster.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart zij verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende traject.
De uitspraak biedt verzoeker een adempauze om zijn schulden te regelen en de huurbetalingen te stabiliseren, met duidelijke voorwaarden en rapportageverplichtingen richting schuldhulpverlening.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.