Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:742

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
22 januari 2025
Zaaknummer
10/307668-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 4 en 5 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wetenschap van cocaïnesmokkel in containers

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk binnenbrengen van 196 en 126 kilogram cocaïne in Nederland via twee containers. De containers waren bestemd voor het bedrijf van de verdachte en werden tijdens transport door de douane geopend, waarbij de cocaïne werd aangetroffen.

De verdachte ontkende vanaf het begin wetenschap van de drugs en werkte volledig mee aan het onderzoek. Zij verklaarde dat zij recent was begonnen in de internationale fruithandel en dat de lading bestond uit reguliere handelsgoederen. Een getuige bevestigde dat de handelspraktijken ongebruikelijk waren maar niet onlogisch binnen de sector.

De rechtbank constateerde dat er geen bewijsmiddelen waren die aantonen dat de verdachte op de hoogte was van de cocaïne in de containers. Er ontbraken ook aanwijzingen voor criminele contacten of betrokkenheid bij drugssmokkel. De verdachte gaf een onderbouwde verklaring over haar financiële transacties, maar er werd geen diepgaand onderzoek gedaan naar haar bedrijfsactiviteiten.

Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank de verdachte vrij van de tenlasteleggingen. De rechtbank benadrukte dat ondanks de omvang van de cocaïnepartijen, het dossier de mogelijkheid openlaat dat de drugs zonder medeweten van de verdachte in de containers werden geplaatst.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs dat zij wetenschap had van de cocaïne in de containers.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/307668-24
Datum uitspraak: 16 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 januari 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

4.Vrijspraak

4.1.1.
Standpunt officier van justitie en verdediging
Aangevoerd is dat in twee containers die vanuit Costa Rica op weg waren naar de verdachte een grote hoeveelheid cocaïne is aangetroffen. Gezien de hoge straatwaarde van de cocaïne en de bewerkelijke wijze waarop dit was verpakt, is het niet waarschijnlijk dat de ontvanger van de containers, namelijk de verdachte, niet op de hoogte was van de cocaïne in de containers. De verklaring van de verdachte dat de goederen bedoeld waren om door te verkopen is niet geloofwaardig, omdat zij nog geen afnemers had gevonden voor de (overige) goederen die zij in de containers verscheepte.
De verdediging betwist allen de wetenschap van de verdachte ten aanzien van de gemokkelde cocaïne. Zij heeft vanaf het begin ten volle meegewerkt en verklaard. Zij wist niet dat er in de containers cocaïne verborgen was.
4.1.2.
Beoordeling
De rechtbank heeft op basis van het strafdossier en hetgeen ter zitting is besproken vastgesteld dat de verdachte rond de periode van 20 juni 2024 tot en met 24 september 2024 opdracht heeft gegeven tot transport van de containers genummerd [containernummer 1] en [containernummer 2] via Rotterdam en Antwerpen naar haar plaats van opslag te Landgraaf. Deze transporten hebben plaatsgevonden. Ook staat vast dat beide containers tijdens het transport naar Rotterdam en Antwerpen beladen waren met kilo’s cocaïne. Deze partijen van respectievelijk 196 en 126 kilo zijn door de douane aangetroffen en uit de containers verwijderd. Het gerechtelijk laboratorium heeft vastgesteld dat in beide gevallen sprake was van cocaïne.
De vraag moet worden beantwoord of de verdachte wetenschap had van het feit dat beide containers die voor haar bedrijf bestemd waren, met deze cocaïne beladen waren. De verdachte heeft dit in het politieverhoor vanaf het eerste moment ontkend en alle medewerking verleend aan het onderzoek. Zij heeft gemotiveerd aangegeven nog niet lang geleden en zonder veel kennis en ervaring in de internationale fruithandel te zijn gestapt en voor de lading van de door haar ingevoerde containers (naast bovengenoemde waren er nog andere containers door de verdachte ingevoerd) kopers gevonden te hebben. Zij heeft namen genoemd van diegenen die met haar zaken wilden doen. Ter zitting is op verzoek van de verdediging één van hen als getuige gehoord. Deze getuige heeft verklaard dat hij met de verdachte in gesprek was over de waren en dat partijen zoals door de verdachte aangeboden wel ongebruikelijk waren in de reguliere handel, maar toch niet zo ongebruikelijk dat 20% van de totale jaaromzet van het bedrijf van de getuige bestaat uit dergelijke vrije handel. De verdachte heeft verklaard meerdere bv’s te hebben en hiermee in meerdere marktsegmenten actief te zijn.
In het strafdossier zijn geen bewijsmiddelen aangetroffen die een aanwijzing vormen dat de verdachte zich in het criminele milieu heeft begeven en/of hierin contacten heeft. Laat staan dat er enig verband kon worden gelegd tussen de verdachte en een organisatie die zich met de invoer van cocaïne van een omvang zoals tenlastegelegd bezig zou houden.
Met cocaïnesmokkel van deze omvang gaat veel geld gemoeid. Hiervan is in het strafdossier niet gebleken. De verdachte heeft een onderbouwde verklaring gegeven voor de vele stortingsbewijzen van de contante bedragen met een beloop van 200.000,- euro die in de loop van twee jaar zijn gestort. Van een verdergaand financieel boekhoudkundig onderzoek naar aanleiding van deze verklaring is niet gebleken. Evenmin is onderzoek gedaan naar de andere bedrijven van de verdachte en naar de bedrijfscontacten van de verdachte ten aanzien van de verhandelde containers, terwijl de verdachte ook hierover uitdrukkelijk heeft verklaard.
Bij een gemotiveerde ontkenning door de verdachte van wetenschap over de drugssmokkel is het aan de officier van justitie om bewijsmiddelen aan te dragen die van deze wetenschap bij de verdachte doen blijken. In dit geval ontbreken deze. Weliswaar is het opvallend dat twee containers met een grote hoeveelheid cocaïne zijn verstuurd naar het bedrijf van de verdachte, maar met het huidige dossier blijft de reële mogelijkheid bestaan dat de verdovende middelen buiten haar wetenschap om in de container zijn geplaatst met als doel deze vóór de aflevering uit de container te halen.
Dit alles brengt mee dat nu de rechtbank in het strafdossier geen bewijsmiddelen heeft aangetroffen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de in de containers aangetroffen cocaïne en de smokkel hiervan naar Nederland zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen haar is tenlastegelegd.
4.1.3.
Conclusie
Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op 16 januari 2025.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1 primair

zij in of omstreeks de periode van 20 juni 2024 tot en met 24 september 2024 te Maasvlakte, gemeente Rotterdam en/of Landgraaf, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid Pro 4
van de Opiumwet, ongeveer 196 kilogram (container [containernummer 1]) en/of 126 kilogram
(container [containernummer 2]) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1;

1 subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 20 juni 2024 tot en met 24 september 2024 te Maasvlakte gemeente Rotterdam en/of Landgraaf, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet,
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of van 196 kilogram (container [containernummer 1]) en/of 126 kilogram (container [containernummer 2]) cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door
- transport te regelen om de container(s) op te halen en/of
- de loods van het bedrijf [bedrijf] ter beschikking stellen en/of
- in de loods de lading van de container te lossen.