De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk binnenbrengen van 196 en 126 kilogram cocaïne in Nederland via twee containers. De containers waren bestemd voor het bedrijf van de verdachte en werden tijdens transport door de douane geopend, waarbij de cocaïne werd aangetroffen.
De verdachte ontkende vanaf het begin wetenschap van de drugs en werkte volledig mee aan het onderzoek. Zij verklaarde dat zij recent was begonnen in de internationale fruithandel en dat de lading bestond uit reguliere handelsgoederen. Een getuige bevestigde dat de handelspraktijken ongebruikelijk waren maar niet onlogisch binnen de sector.
De rechtbank constateerde dat er geen bewijsmiddelen waren die aantonen dat de verdachte op de hoogte was van de cocaïne in de containers. Er ontbraken ook aanwijzingen voor criminele contacten of betrokkenheid bij drugssmokkel. De verdachte gaf een onderbouwde verklaring over haar financiële transacties, maar er werd geen diepgaand onderzoek gedaan naar haar bedrijfsactiviteiten.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank de verdachte vrij van de tenlasteleggingen. De rechtbank benadrukte dat ondanks de omvang van de cocaïnepartijen, het dossier de mogelijkheid openlaat dat de drugs zonder medeweten van de verdachte in de containers werden geplaatst.