ECLI:NL:RBROT:2025:7481
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging bijstandsuitkering wegens niet meewerken
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders om zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet met 30% te verlagen voor de maand mei 2025, wegens het niet meewerken aan het Plan van Aanpak. Hij heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij in afwachting van de bezwaarprocedure toch de volledige uitkering ontvangt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang. De verlaging betreft slechts één maand en verzoeker ontvangt vanaf juni weer de volledige uitkering. Tevens is niet gebleken dat verzoeker door de korting in acute financiële nood is gekomen, mede omdat hij een inkomenstoeslag heeft ontvangen en een regeling met zijn verhuurder heeft getroffen.
Verder is vastgesteld dat het besluit niet evident onrechtmatig is. Verzoeker heeft zich afgemeld voor verplichte trainingen en is niet verschenen bij een hoor- en wederhoorgesprek, waardoor het college de maatregel terecht heeft opgelegd. De omstandigheden die verzoeker aanvoert kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat het college de uitkering niet hoeft aan te passen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.