Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw D. Kaya, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- [naam], werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
2.Het verzoek
Het verweer
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De huurachterstand ontstond tijdens haar huwelijk, waarbij haar ex-partner de huur niet betaalde. Inmiddels is zij gescheiden en heeft zij de lopende huurtermijnen voldaan. Schuldhulpverlening heeft bevestigd dat een schulddienstverleningstraject voor 1 juli 2025 zal starten en dat budgetbeheer wordt ingesteld om betaling van de huur te waarborgen.
Verweerster erkent de situatie en geeft aan dat verzoekster nu wel bereid is hulp te aanvaarden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat ontruiming aankondigt. De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De voorziening wordt verlengd en de huurovereenkomst blijft van kracht gedurende deze periode.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming voor zes maanden onder de voorwaarde dat lopende huurtermijnen worden voldaan.