ECLI:NL:RBROT:2025:7686

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
1 juli 2025
Zaaknummer
C/10/693918 / KG ZA 25-103
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvulling vonnis over afwijzing dwangsom bij omgevingsverbod

In deze zaak heeft Stichting BOOR verzocht om aanvulling van het vonnis van 5 juni 2025, omdat de rechtbank niet had beslist over de door haar gevorderde dwangsom bij een omgevingsverbod voor eiser. Het omgevingsverbod was toegewezen tot 1 januari 2026, maar de dwangsom was niet expliciet toe- of afgewezen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 32 Rv Pro omdat de dwangsom niet is beoordeeld. Stichting BOOR verzoekt alsnog toewijzing van de dwangsom. Eiser stelt dat het zwijgen in het dictum betekent dat de dwangsom impliciet is afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat uit het ontbreken van een beslissing over de dwangsom niet kan worden afgeleid dat deze is afgewezen. Omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser het omgevingsverbod heeft overtreden, ziet de rechter geen aanleiding om alsnog een dwangsom te verbinden.

Daarom wordt het verzoek tot aanvulling toegewezen en wordt expliciet beslist dat de gevorderde dwangsom wordt afgewezen.

Uitkomst: De gevorderde dwangsom bij het omgevingsverbod wordt afgewezen en het vonnis van 5 juni 2025 wordt aangevuld met deze expliciete beslissing.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/693918 / KG ZA 25-103
Vonnis in kort geding van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Egmond aan Zee,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. W. Boeters te Rotterdam,
tegen
STICHTING BOOR,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.G. Hofman te Heemstede.
Partijen worden hierna [eiser] en Stichting BOOR genoemd.

1.Het verzoek tot aanvulling

1.1.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft mr. Hofman namens Stichting BOOR verzocht om aanvulling van het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis. Stichting BOOR legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Stichting BOOR heeft als tegenvordering 5. een omgevingsverbod voor [eiser] gevorderd tot 1 augustus 2026. Als tegenvordering 6. heeft Stichting BOOR gevorderd om aan het omgevingsverbod een dwangsom te verbinden. Het omgevingsverbod is voor een straal van 50 meter toegewezen tot 1 januari 2026, maar er is geen rechtsoverweging gewijd aan het toe- of afwijzen van de gevorderde dwangsom. Stichting BOOR verzoekt de gevorderde dwangsom alsnog toe te wijzen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. [eiser] heeft zelf, zonder tussenkomst van zijn advocaat, op het verzoek gereageerd. Die reactie komt er in de kern op neer dat [eiser] van mening is dat uit het zwijgen van het dictum van het vonnis van 5 juni 2025 over de dwangsom (juist) kan worden afgeleid dat de dwangsom impliciet is afgewezen.

2.De beoordeling

2.1.
Artikel 32 Rv Pro geeft een eenvoudige herstelmogelijkheid voor het geval dat de rechter over een deel van het gevorderde of verzochte geen beslissing heeft gegeven.
2.2.
De voorzieningenrechter is met Stichting BOOR van oordeel dat niet is beslist op de onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom, zodat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 32 Rv Pro. Uit de omstandigheid dat in het vonnis van 5 juni 2025 niets over deze gevorderde dwangsom staat, kan niet worden afgeleid dat de gevorderde dwangsom is afgewezen en dat om die reden geen sprake is van een verzuim om te beslissen op een deel van het gevorderde.
2.3.
Ten aanzien van de door Stichting BOOR onder tegenvordering 6. gevorderde dwangsom overweegt de voorzieningenrechter alsnog als volgt.
2.4.
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [eiser] het in een eerder vonnis aan hem opgelegde omgevingsverbod heeft overtreden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan het nu opgelegde omgevingsverbod (alsnog) een dwangsom te verbinden.
2.5.
Het verzoek van Stichting BOOR om aanvulling wordt toegewezen in die zin dat de voorzieningenrechter expliciet zal beslissen over de dwangsom, en wel in die zin dat deze wordt afgewezen.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
vult het op 5 juni 2025 in deze zaak gewezen vonnis aan, in die zin dat de door Stichting BOOR onder 6. van haar tegenvorderingen gevorderde dwangsom wordt afgewezen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.
3349 / 106