ECLI:NL:RBROT:2025:7829

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
2 juli 2025
Zaaknummer
C/10/696075 / JE RK 25-532
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming west tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2016 en 2024, die momenteel in een gezinshuis verblijven. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en zijn inmiddels gescheiden. De moeder heeft een eigen woning waar de hulpverlening is voortgezet.

Tijdens de zitting op 22 april 2025, waarbij de moeder, vader, een vertegenwoordiger van de GI en een begeleider van ASVZ aanwezig waren, is besproken dat de kinderen een bovengemiddeld opvoedklimaat nodig hebben. De ouders hebben positieve stappen gezet, maar terugplaatsing is nog niet mogelijk. De GI wil intensieve hulpverlening inzetten en de bezoekmomenten uitbreiden.

De moeder verzoekt om een kortere verlenging dan gevraagd en uitbreiding van bezoekmomenten, terwijl de vader zijn frustratie uit over communicatie maar openstaat voor hulpverlening. De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding, maar beperkt deze tot twee maanden om tussentijds te evalueren. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is een vervolgzitting gepland op 30 juni 2025.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 5 juli 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/696075 / JE RK 25-532
Datum uitspraak: 22 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Gouda,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. M. de Maaré, kantoorhoudende te Breda,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 maart 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van de GI van 21 maart 2025, ontvangen op diezelfde datum;
  • de brief van [minderjarige 1], ontvangen op 16 april 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1].
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 2], begeleider vanuit ASVZ.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een brief gestuurd.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van 28 oktober 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 28 oktober 2025. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 5 november 2024 tot 5 mei 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en verwijst voor de toelichting naar het verzoekschrift van 14 maart 2025. Er heeft contact plaatsgevonden tussen het gezinshuis en de GI. Hieruit blijkt dat [minderjarige 1] een bovengemiddeld opvoedklimaat nodig heeft. Het is de ouders in het verleden niet voldoende gelukt om hierop aan te sluiten. De GI is voornemens om op korte termijn intensieve hulpverlening in te zetten en te onderzoeken wat verder nodig is om toe te werken naar de thuisplaatsing van de kinderen. In de tussentijd is de GI voornemens om – met verdere inzet van hulpverlening – te bekijken op welke manier de bezoekmomenten tussen de ouders en de kinderen kunnen worden uitgebreid.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor een kortere duur. Toen de kinderen uit huis werden geplaatst, was er sprake van een onrustige thuissituatie. Dit had voornamelijk te maken met de dynamiek tussen de ouders. Inmiddels zijn de ouders van elkaar gescheiden en heeft de moeder haar eigen woning. De woning van de moeder is ingericht om de kinderen te ontvangen en de hulpverlening die vanuit ASVZ bij de moeder betrokken was is hier voortgezet. De moeder heeft het liefst dat de kinderen weer bij haar worden teruggeplaatst, maar zij begrijpt dat dit voor hen op dit moment een te grote stap is. Zij zou daarom willen dat de beperkte bezoekmomenten tussen de ouders en de kinderen de aankomende periode worden uitgebreid. Vervolgens kan worden onderzocht wat er nodig is om toe te werken naar de terugplaatsing van de kinderen. De moeder staat open voor de verdere inzet van hulpverlening.
4.2.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Hij is gefrustreerd over de manier waarop door de GI met de ouders wordt gecommuniceerd. De ouders hebben in het verleden fouten gemaakt, maar zij hebben hiervan geleerd. Zij staan open voor de inzet van hulpverlening.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de ouders de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet. Zij zijn inmiddels van elkaar gescheiden, de moeder heeft een eigen woning en de betrokken hulpverlening vanuit ASVZ is gecontinueerd. Een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op dit moment echter nog niet aan de orde. Eerst dienen de bezoekmomenten tussen allebei de ouders en de kinderen te worden uitgebreid. Daarnaast dient te worden onderzocht welke stappen nodig zijn om toe te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, om tussentijds een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening daarom verlengen voor de duur van twee maanden, te weten tot 5 juli 2025, en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de GI
uiterlijk twee wekenvoor de hierna te noemen zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de ouders en mr. M. de Maaré) te rapporteren over de laatste ontwikkelingen en aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 5 juli 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling voor het overig verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de ouders en mr. M. de Marée zal plaatsvinden op
30 juni 2025 te 16:30 uur, in het gerechtsgebouw te
Rotterdam, Wilhelminaplein 100 / 125;
6.4.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. C.N. Melkert, kinderrechter;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de ouders en mr. M. de Marée;
6.6.
gelast de oproeping van [minderjarige 1] voor een apart kind gesprek op
30 juni 2025 te 11:20 uur, in het gerechtsgebouw te
Rotterdam, Wilhelminaplein 100 / 125;
6.7.
verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de ouders en mr. M. de Maaré) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 8 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.