Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:7929

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
C/10/688186 / FA RK 24-7940
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende informatie voor beslissing gezag en omgang; raad gevraagd onderzoek te verrichten

De rechtbank Rotterdam behandelt een zaak over het ouderlijk gezag en omgangsregeling tussen de man en de vrouw, ouders van een minderjarige geboren in 2018. De man verzoekt om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling waarbij de minderjarige elk weekend en tijdens vakanties bij hem verblijft. De vrouw verzet zich gemotiveerd en verzoekt ontzegging omgangsrecht vanwege bedreigingen en geweld.

De rechtbank constateert tegenstrijdige verklaringen over de relatie, omgang en gedragingen. De vrouw stelt dat de man haar heeft bedreigd met ernstige geweldsuitingen, ondersteund door WhatsApp-berichten en een video. De man erkent de berichten maar bagatelliseert de ernst. De vrouw heeft aangifte gedaan en er is een strafzaak gepland.

Gezien de ernst van de gedragingen en de uiteenlopende verhalen acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om te beslissen over gezag en omgang. Daarom wordt de raad voor de kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen en een veiligheidsrisicotaxatie uit te voeren. Voorlopige omgangsregeling wordt niet toegekend. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige omgangsregeling en gezagswijziging afgewezen; raad gevraagd onderzoek en veiligheidsrisicotaxatie te verrichten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/688186 / FA RK 24-7940
Beschikking van 19 juni 2025 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de man], hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. K. Yasar te Rotterdam,
t e g e n
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. G. Alkilic te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 oktober 2024;
  • het verweerschrift met bijlagen van de vrouw van 16 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
De vrouw oefent het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.5.
Partijen hebben de Bulgaarse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Voorlopige voorzieningen
3.1.1.
De man heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen over een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) ingetrokken, zodat de rechtbank het zal afwijzen.
3.2.
Gezag en omgangs- of zorgregeling
3.2.1.
De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan ook aan hem toekomt en om een omgangsregeling of een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de minderjarige ieder weekend van vrijdag om 10.00 uur tot zondag om 18.00 uur bij hem verblijft en tijdens de helft van de kerst- en zomervakantie (in verband met de bouwvakantie).
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt om hem het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen.
3.2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek over het gezag en de omgangs- of zorgregeling.
3.2.4.
De rechtbank constateert dat de verhalen van de man en de vrouw zeer uiteenlopen over hoe hun relatie was, over het contact daarna en over de omgang tussen de man met de minderjarige. Vaststaat dat na de relatiebreuk in 2021 contact tussen de man en de minderjarige is geweest tot medio vorig jaar en dat de vrouw toen heeft besloten om niet langer aan de omgang mee te werken. Volgens de man heeft de omgang steeds plaatsgevonden op de manier zoals hij nu verzoekt en is het gestopt toen hij een auto-ongeluk kreeg. Toen hij daarvan hersteld was, wilde de vrouw om voor hem onbekende redenen niet meer meewerken. Voor het gezamenlijk gezag ziet hij geen contra-indicaties, hooguit moet er gewerkt worden aan de communicatie. De vrouw betwist het verhaal van de man. Volgens haar kenmerkte de relatie zich door geweld. Er was inderdaad contact tussen de man en de minderjarige, maar dit was niet regelmatig; soms wekelijks, andere keren maandelijks. Na de relatiebreuk heeft de man haar bedreigd met de dood en met verkrachting. Zij heeft haar telefoonnummer veranderd, maar dit heeft de man niet weerhouden om contact te zoeken. Hij zou een video naar haar familie hebben gestuurd, waarin een vrouw te zien is die seksuele handelingen verricht met een man. Volgens de man is zij dat, maar dit ontkent de vrouw. De vrouw is bang voor de man en zij acht hen niet in staat om het gezag over de minderjarige samen uit te oefenen. De omgang is volgens haar dan ook niet in het belang van de minderjarige.
3.2.5.
Het procesdossier bevat verschillende WhatsAppgesprekken tussen de man en de vrouw en een video-opname (waarin in het Turks wordt gesproken). In de berichten is te lezen dat de man naar de vrouw stuurt dat hij haar zal wurgen, verkrachten en vermoorden, terwijl zij hem smekend in de ogen moet kijken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat hij die berichten heeft verstuurd, omdat hij de minderjarige niet kon zien en de broer van de vrouw hem had uitgescholden. Hij vond dat ten onrechte druk op hem werd uitgeoefend. De man lijkt de ernst van de berichten en het effect daarvan op de vrouw te bagatelliseren. De vrouw heeft aangifte bij de politie gedaan van de gedragingen van de man. Volgens haar staat de mondelinge behandeling van de strafzaak op 21 juli 2025 gepland. Deze mondelinge behandeling zou eerder zijn aangehouden omdat de man zich had uitgeschreven uit de Basisregistratie Persoonsgegevens.
3.2.6.
De rechtbank acht zich onvoldoende ingelicht om een beslissing te nemen over het ouderlijk gezag over de minderjarige en een zorg- of omgangsregeling. Voordat kan worden beslist over deze onderwerpen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht hierover onderzoek doet en de rechtbank adviseert. De rechtbank vraagt de raad ook om een veiligheidsrisicotaxatie te verrichten. Om deze reden zal de behandeling worden aangehouden en zal de raad worden verzocht te rapporteren.
3.2.7.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man de minderjarige weer wil zien, zal zij geen voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van het raadsonderzoek. Gelet op de ernst en de aard van de gedragingen van de man aan het adres van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat het in belang van de minderjarige moet worden geacht om eerst het onderzoek van de raad af te wachten.
3.3.
Proceskosten
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de man om voorlopige voorzieningen te treffen af;
4.2.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis over het ouderlijk gezag, de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht of de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
4.3.
bepaalt dat – zodra de rechtbank in deze zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hun procedurele wensen kenbaar te maken, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;
4.4.
bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 december 2025
PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 19 juni 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.