Eiser klaagt over de onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens door de gemeente Den Haag in het Gemeentelijke Incidenten Registratiesysteem (GIR) en het niet voldoen aan zijn inzageverzoek. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) besloot geen nader onderzoek te doen naar deze klacht, mede omdat de registratie inmiddels was verwijderd en er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een overtreding.
De rechtbank oordeelt dat de AP haar beoordelingsruimte correct heeft benut en dat de vaste werkwijze van de AP, waarbij klachten in eerste instantie inhoudelijk worden beoordeeld en vervolgens op basis van prioriteringscriteria wordt beslist over nader onderzoek, niet onredelijk is. De AP heeft terecht geconcludeerd dat een verder onderzoek niet efficiënt en effectief zou zijn.
Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard. De rechtbank vindt dat de AP niet is uitgegaan van onjuiste feiten en dat de verwijdering van de GIR-registratie het vaststellen van een overtreding bemoeilijkt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 7 juli 2025.