ECLI:NL:RBROT:2025:7972

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2025
Publicatiedatum
7 juli 2025
Zaaknummer
C/10/693941 / KG ZA 25-106
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 611g Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering tot uitvoering brandveiligheidswerkzaamheden en dwangsommen aan bedrijfspand

In deze kortgedingprocedure tussen Microdose NL Holding B.V. en een particuliere eigenaar staat de uitvoering van diverse werkzaamheden aan een bedrijfsunit centraal, vooral gericht op brandveiligheid. Eerder was de eigenaar reeds veroordeeld tot het verrichten van deze werkzaamheden onder dwangsom. Microdose vordert nu aanvullende uitvoering en dwangsommen.

De rechtbank stelt vast dat niet alle werkzaamheden zijn afgerond, met name de trapleuning, gevelkozijnen en brandveiligheidsvoorzieningen. De vertraging wordt deels veroorzaakt door discussies over brandveiligheidsmaatregelen. De rechtbank veroordeelt de eigenaar om de resterende werkzaamheden uit te voeren en legt nieuwe dwangsommen op vanaf 1 november 2025, met een maximum van €75.000 per categorie werkzaamheden.

De vordering tot uitvoering van enkele aanvullende werkzaamheden wordt afgewezen wegens onvoldoende toelichting. De executie van eerder opgelegde dwangsommen wordt geschorst, omdat onduidelijk is of deze volledig zijn verbeurd. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de eigenaar tot uitvoering van resterende brandveiligheidswerkzaamheden met nieuwe dwangsommen en schorst de executie van eerdere dwangsommen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/693941 / KG ZA 25-106
Vonnis in kort geding van 30 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MICRODOSE NL HOLDING B.V.,
gevestigd te Brielle,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. S.W. Hu LLM. te Den Haag,
tegen
[eiser],
wonende te Capelle aan den IJssel,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. R.P.L.H. Burger te Rotterdam.
Partijen worden hierna Microdose en [eiser] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken
  • de dagvaarding van 11 februari 2025, met producties 1 tot en met 10 en de aanvullende overgelegde producties 11 tot en met 28
  • de conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 5 en de aanvullend overgelegde productie 6
1.2.
Op 21 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben op die zitting een pleitnota overgelegd. Partijen hebben vervolgens om aanhouding van de procedure gevraagd. Op 24 april en 25 april jl. hebben partijen laten weten dat het minnelijk overleg geen resultaat heeft gehad en voortzetting van de procedure gevraagd.
1.3.
Op 17 juni 2025 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben een pleitnota overgelegd. Microdose heeft haar vordering op de zitting gewijzigd en de wijzigingen gespecificeerd in de pleitnota.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in juni 2022 een perceel met bedrijfsgebouw in Brielle gekocht. Het bedrijfspand is vervolgens gesplitst in 7 units te koop aangeboden. Tussen partijen is in oktober 2022 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot unit 3 (gelegen aan [adres] ) van het bedrijfspand.
2.2.
Bij notariële akte van 12 december 2022 heeft [eiser] de unit aan Microdose geleverd. Op 17 maart 2023 heeft Microdose de unit in gebruik genomen. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de definitieve oplevering van de unit. Volgens Microdose moesten er aan het pand nog diverse werkzaamheden plaatsvinden, zodat het pand zou voldoen aan de koopovereenkomst en de geldende vergunning- en veiligheidsvereisten. Microdose heeft [eiser] vervolgens in een kortgedingprocedure betrokken.
2.3.
In deze procedure (kenmerk C/10/679842 / KG ZA 24-498) is op 1 juli 2024 een vonnis gewezen. [eiser] is veroordeeld om diverse werkzaamheden aan het pand te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
Microdose vordert in deze procedure, samengevat en na eiswijziging, de veroordeling van [eiser] om:
I. een trapleuning en balustrade te realiseren op de trap/rondom het trapgat op de verdieping, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. de twee grote gevelkozijnen aan de voorzijde, de multiplex zijdeur en de houten kozijnen van de deur en bovenlicht te vervangen, ventilatievoorzieningen aan te brengen en een houten toegangsdeur met glaspanelen te plaatsen in de voorgevelzijde, één en ander uitgevoerd conform de rapporten van [naam] van 27 mei 2024 en 3 februari 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. voorzieningen ten aanzien van de brandveiligheid aan te brengen, conform het (aangepaste) gezamenlijke brandveiligheidsrapport (productie 20 bij dagvaarding) en de verduidelijkingen van 22 april en 8 mei 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. de brandscheidingswand op de begane grond tussen unit 2 en 3 en op de eerste verdieping tussen unit 3 en unit 5 en tussen unit 3 en unit 4 af te werken met een stuclaag, de zichtbare kolommen in unit 3 af te werken met een stuc- en verflaag, het plafond af te werken met profielen en het terugplaatsen van leidingwerk, ventilatiekanaal en stopcontacten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
V. de proceskosten te betalen.
3.2.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Er zijn nog werkzaamheden die verricht moeten worden, maar Microdose weigert mee te werken aan de uitvoering van die werkzaamheden. Omdat [eiser] in belangrijke mate heeft voldaan aan het vonnis van 1 juli 2024, zijn geen, of hooguit heel beperkt, dwangsommen verbeurd. In dat kader vordert [eiser] in reconventie opheffing van de opgelegde dwangsommen, dan wel schorsing van de executie ten aanzien van de dwangsommen totdat in een bodemprocedure over de verschuldigdheid van de dwangsommen is beslist, alsmede opheffing van het executoriale beslag op de woning van [eiser] .

4.De beoordeling

4.1.
Op 1 juli 2024 is tussen partijen een vonnis gewezen op basis waarvan [eiser] diverse werkzaamheden moest verrichten aan de door Microdose gekochte bedrijfsunit. De discussie die in conventie centraal staat, is welke werkzaamheden nu nog verricht moeten worden. In reconventie gaat het in de kern om de verschuldigdheid en executie van dwangsommen.
De nog te verrichten werkzaamheden
4.2.
Op zichzelf staat niet ter discussie dat nog niet alle werkzaamheden die [eiser] op basis van het vonnis van juli 2024 moest verrichten, zijn voltooid.
Zo heeft [eiser] erkend dat de werkzaamheden die zijn omschreven in vorderingen I en II van Microdose nog niet uitgevoerd zijn. Deze staan namelijk gepland in de eindfase van de totaalplanning van alle nog te verrichten werkzaamheden. [eiser] is in het vonnis van 1 juli 2024 al veroordeeld om deze werkzaamheden op straffe van verbeurte van een dwangsom te verrichten. Dat de werkzaamheden nog niet verricht zijn lijkt vooral een gevolg van de voortslepende discussie tussen partijen over de te nemen brandveiligheidsmaatregelen, de daarmee gepaard gaande werkzaamheden en daardoor ontstane stilstand. Er is, ook gelet op de lange verjaringstermijn van een vonnis, geen aanleiding om [eiser] op dit moment opnieuw te veroordelen de nog resterende werkzaamheden bedoeld in vorderingen I en II te verrichten. Er is wel aanleiding om, mede gelet op het bepaalde in artikel 611g Rv, hieraan een nieuwe dwangsom te koppelen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ruime termijn die [eiser] krijgt voor de overige nog te verrichten werkzaamheden.
4.3.
De werkzaamheden die Microdose heeft omschreven onder IV waren in het eerdere kort geding nog niet aan de orde. Volgens [eiser] is de uitvoering hiervan ook niet eerder aan hem verzocht. Microdose heeft op dit punt geen nadere toelichting gegeven. De vordering onder IV wordt daarom afgewezen. In zijn pleidooi op 21 februari 2025 heeft [eiser] aangegeven bereid te zijn om de brandafscheidingswand op de begane grond en eerste verdieping in unit 3 en de zichtbare kolommen in unit 3 met een stuclaag af te werken en de zichtbare kolommen te schilderen. Indien en voor zover tijdens dat werk leidingen en/of het ventilatiekanaal van het toilet en/of stopcontacten worden losgehaald, worden deze teruggeplaatst.
4.4.
Op het punt van het uitvoeren van werkzaamheden die zijn gericht op maatregelen van brandveiligheid, zoals omschreven onder vordering III zijn partijen het niet eens. In het vonnis van 1 juli 2024 is [eiser] veroordeeld tot:
4.5.
Na de eerste zitting in de onderhavige procedure hebben door partijen ingeschakelde deskundigen gezamenlijk een rapport opgesteld (productie 20 bij dagvaarding). Dat rapport vermeldt een tiental maatregelen die naar het gezamenlijk oordeel van de deskundigen getroffen moeten worden om aan de eisen van brandveiligheid te voldoen. Van deze maatregelen heeft [eiser] aangegeven deze te kunnen uitvoeren voor unit 3. De vordering onder III wordt dan ook toegewezen, in die zin dat [eiser] de in het rapport omschreven maatregelen moet verrichten
in en aan unit 3, de bedrijfsruimte van Microdose. Voor zover dat betekent dat er werkzaamheden moeten worden verricht aan onderdelen van de unit die grenzen aan andere units, is het in beginsel aan [eiser] om zonodig toegang te verkrijgen tot de andere units om die werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Anders dan Microdose stelt, is er op dit moment evenwel geen grond om [eiser] te verplichten aanvullende (brandwerende) maatregelen te treffen
buiten unit 3. Op basis van dit vonnis hoeft [eiser] dus geen (destructief) onderzoek te laten verrichten in andere units dan unit 3 om te beoordelen of de brandveiligheid in die units afdoende is. Voor zover Microdose meent dat na uitvoering van de resterende werkzaamheden in en aan unit 3 nog reden is om aan te nemen dat [eiser] jegens haar nog aanvullende verplichtingen heeft, zullen deze in een eventuele bodemprocedure aan de orde moeten komen.
Aanvullende dwangsom
4.6.
Om de druk te houden op de uitvoering van de resterende werkzaamheden wordt aan [eiser] een dwangsom opgelegd. Deze gaat lopen op het moment dat de werkzaamheden die verband houden met de brandveiligheid en die [eiser] op basis van dit vonnis nog moet verrichten, niet zijn voltooid op 1 november 2025. [eiser] verbeurt vanaf dat moment een dwangsom van € 1.000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-. De dwangsommen gaan niet lopen indien Microdose op haar beurt niet de vereiste medewerking verleent aan de uitvoering van de werkzaamheden. De datum van 1 november 2025 vloeit voort uit de ter zitting meegedeelde en niet betwiste (verwachte) duur van de werkzaamheden en het daarbij behorende bestellen van materialen en de termijn waarop de aangezochte aannemer heeft meegedeeld met de werkzaamheden te kunnen beginnen. Voorts is rekening gehouden met een korte periode van uitloop op grond van onvoorziene omstandigheden.
Lopende executiemaatregelen
4.7.
Naar aanleiding van het vonnis van 1 juli 2025 heeft Microdose zich op het standpunt gesteld dat [eiser] een dwangsom van € 100.000,- heeft verbeurd. Zij heeft daarom executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser] . Microdose vraagt in deze procedure opnieuw dwangsom. Een dwangsom dient als prikkel tot nakoming. Het staat vast dat de werkzaamheden die [eiser] op grond van het vonnis van 1 juli 2024 moest verrichten, later zijn afgerond dat de in het vonnis genoemde zes weken na betekening van het vonnis. Deels zijn de werkzaamheden nog niet afgerond. Daarmee zijn de dwangsommen strikt genomen lopen.
Met inachtneming van het doel van een dwangsom, namelijk een prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling, is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat schorsing van de executie op dit moment in de rede ligt. Het is duidelijk dat [eiser] nadat het vonnis is gewezen aan de slag is gegaan met (het voorbereiden van) de werkzaamheden die hem zijn opgedragen. Verschillende omstandigheden hebben ertoe geleid dat de werkzaamheden niet of niet tijdig zijn afgerond. Voor wiens rekening en risico de vertraging moet uiteindelijk moet komen, en daarmee of de dwangsommen (volledig) zijn verbeurd, is op dit moment nog niet evident. De executie van het vonnis van 1 juli 2024 wordt daarom geschorst, totdat in een bodemprocedure is beslist over de verschuldigdheid van dwangsommen. Omdat Microdose het executoriale beslag op de woning daardoor voorlopig niet kan vervolgen, maar daar mogelijk wel belang bij mocht blijken te hebben, wordt dat beslag op dit moment niet opgeheven.
Proceskosten
4.8.
Omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, worden de kosten gecompenseerd in die zin dat partijen, zowel in conventie als in reconventie, de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [eiser] om aan Microdoes een dwangsom van € 2.500,- te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden om een trapleuning en balustrade te realiseren op de trap/rondom het trapgat op de verdieping, om de twee grote gevelkozijnen aan de voorzijde, de multiplex zijdeur en de houten kozijnen van de deur en bovenlicht te vervangen, ventilatievoorzieningen aan te brengen en een houten toegangsdeur met glaspanelen te plaatsen in de voorgevelzijde, één en ander uitgevoerd conform de rapporten van [naam] van 27 mei 2024 en 3 februari 2025, na 1 november 2025 niet zijn voltooid, met een maximum van € 75.000,-,
5.2.
veroordeelt [eiser] tot het verrichten van alle werkzaamheden in en aan unit 3 van de bedrijfsruimte, zoals omschreven onder ‘nog te nemen maatregelen’ in het rapport van de deskundigen van beide partijen van 9 april 2025,
5.3.
veroordeelt [eiser] om aan Microdose een dwangsom van € 2.500,- te betalen voor iedere dag dat de werkzaamheden in 5.2. van dit vonnis na 1 november 2025 niet zijn voltooid, met een maximum van € 75.000,-,
5.4.
wijst de overige vorderingen van Microdose af,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen,
in reconventie
5.6.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 juli 2024 met kenmerk C/10/679842 / KG ZA 24-498 ten aanzien van de daarin opgenomen dwangsomveroordeling (en de daaruit voortvloeiende vermeend verbeurde dwangsommen),
5.7.
wijst de overige vorderingen van [eiser] af,
5.8.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2025.3144/2009