De rechtbank Rotterdam behandelde op 28 mei 2025 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van witwassen van geldbedragen van €62.800 en €1.900 en valsheid in geschrifte. De tenlastelegging voor valsheid in geschrifte bevatte een innerlijke tegenstrijdigheid, waardoor de dagvaarding voor dat feit nietig werd verklaard.
De officier van justitie vorderde een bewezenverklaring voor witwassen van €62.800, gebaseerd op het aantreffen van dit geld onder de achterbank van een auto die door verdachte werd bestuurd. Verdachte gaf een verklaring over de herkomst van het geld, dat afkomstig zou zijn van de bedrijfsactiviteiten van een autobedrijf van zijn echtgenote, met onderbouwing door documenten.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van verdachte concreet, verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk was en dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan om deze verklaring te weerleggen. Er was geen direct bewijs van een misdrijf waaruit het geld afkomstig zou zijn. Daarom werd verdachte vrijgesproken van witwassen.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen bedragen werd gelast tot teruggave aan de rechthebbenden. De dagvaarding werd nietig verklaard voor het feit van valsheid in geschrifte. De rechtbank sprak verdachte vrij van het witwassen van €62.800.