De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting van een licht verstandelijk beperkte vrouw. De tenlastelegging betrof meerdere seksuele handelingen in de periode van augustus 2021 tot maart 2023. Het slachtoffer verklaarde dat zij tegen betaling seksuele handelingen met verdachte had verricht, ondersteund door bankafschriften en verklaringen van de moeder van het slachtoffer.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden waaronder een contactverbod. De verdachte ontkende de seksuele handelingen en verklaarde dat hij alleen geld betaalde aan de moeder om de relatie met haar te behouden.
De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken, waar doorgaans alleen de verklaringen van verdachte en slachtoffer tegenover elkaar staan, het dossier doorslaggevend moet zijn. De verklaring van verdachte was consistent en niet onaannemelijk, terwijl het dossier onvoldoende concrete steun bood voor de verklaring van het slachtoffer. Andere getuigen konden alleen verklaren over wat het slachtoffer hen had verteld.
Daarom werd het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen geacht en sprak de rechtbank verdachte vrij. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, op 7 juli 2025.