De zaak betreft een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de oma van vaderszijde. De minderjarige verblijft momenteel bij de oma, nadat de moeder vanwege haar opname bij een GGZ-instelling tijdelijk niet in staat is om voor het kind te zorgen.
De kinderrechter heeft op 14 mei 2025 de reeds verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 2 mei 2025 tot 30 mei 2025 in stand gehouden en deze verlengd tot 2 juli 2025, de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Dit besluit is genomen omdat het onduidelijk is hoe lang de opname van de moeder zal duren en of zij daarna stabiel genoeg zal zijn om de zorg voor de minderjarige op zich te nemen.
Tijdens de zitting waren de moeder en vader aanwezig, waarbij de moeder instemde met het verblijf bij de oma en openstond voor hulpverlening en een terugplaatsingsplan. De vader steunde het verzoek en benadrukte het belang van goede hulpverlening en betrokkenheid bij de verdere procedure.
De kinderrechter verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. Het vonnis is op 14 mei 2025 uitgesproken en op 27 mei 2025 schriftelijk vastgelegd.