Op 3 januari 2022 werd een poging tot brandstichting gepleegd bij een bedrijfspand in Barendrecht. Verdachte werd ervan verdacht medeplichtig te zijn aan deze poging door medeverdachten op te halen en naar het industrieterrein te rijden waar de brandstichting plaatsvond.
Tijdens de terechtzitting op 16 mei 2025 werd vastgesteld dat verdachte emotioneel was en niet wist wat er zou gaan gebeuren, wat werd ondersteund door chatberichten en haar gedrag bij de politie. De rechtbank oordeelde dat het enkel rondrijden en aanwezig zijn op het industrieterrein onvoldoende bewijs is voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op medeplichtigheid.
De officier van justitie eiste een taakstraf van 60 uur, maar de rechtbank sprak verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, begroot op nihil.