AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening moratorium bij ontruiming wegens onderhuur
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis op te schorten. De ontruiming is bevolen door de kantonrechter vanwege ontbinding van de huurovereenkomst wegens onderhuur en het feit dat de woning niet het hoofdverblijf van verzoekster is.
De rechtbank overweegt dat artikel 287b Fw en artikel 305 FwPro alleen toepassing vinden bij ontruimingsvonnissen gebaseerd op financiële tekortkomingen, zoals huurachterstand. Omdat de ontbinding hier niet op financiële gronden is gebaseerd, maar op andere tekortkomingen, is geen moratorium mogelijk.
Verzoekster heeft wel huur betaald en een minnelijk traject opgestart, maar dit verandert niets aan de grondslag van de ontbinding. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt verzoekster in de proceskosten. Daarnaast wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
rekestnummers: [rekestnummer 1] / FT RK 25/964 - [rekestnummer 2] / FT RK 25/965
uitspraakdatum: 27 juni 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoekster.
1.De procedure
Verzoekster heeft op 3 juni 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 FaillissementswetPro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 3 juni 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 juni 2025.
Ter zitting van 23 juni 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw [persoon B] , werkzaam bij [verweerster] , gevestigd te [plaats] (hierna: verweerster).
mevrouw mr. R. van der Hoeff, advocaat van verweerster.
Verweerster heeft op 20 juni 2025 aanvullende stukken overgelegd.
Verweerster heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2.Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoekster heeft voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Dat volgt uit het budgetplan. Bovendien heeft zij de huur van mei 2025 en juni 2025 voldaan.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het minnelijk traject inmiddels is opgestart en dat zij voornemens is om een saneringskrediet aan te bieden. Verder heeft verzoekster aangegeven een fout te zijn begaan. Verzoekster heeft uiteindelijk open kaart gespeeld. Ze verblijft inmiddels in haar woning en wil ook in haar woning blijven. Zij kan nergens anders heen met haar zoon.
3.Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen met een veroordeling van verzoekster in de kosten. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Een verzoek ex artikel 287b Fw is bedoeld voor situaties waarin sprake is van een vonnis dat uitsluitend is gebaseerd op een huurachterstand. Dat is in dit geval niet zo. In dit geval is de ontbinding van huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd, omdat verzoekster haar hoofdverblijf niet in de woning had en deze woning had onderverhuurd. De huurachterstand was een nevenvordering. Dit volgt uit het vonnis van 28 februari 2025 en de overgelegde dagvaarding van 17 juni 2024. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 28 februari 2025, welk vonnis inmiddels kracht van gewijsde heeft.
Voor zover de rechtbank meent dat een verzoek ex artikel 287b Fw wel mogelijk zou zijn, dan geldt dat het verzoek alsnog moet worden afgewezen. Verweerster moet het minnelijk traject namelijk nog opstarten en daarvoor is een moratorium niet bedoeld. Ook leidt een belangenafweging ertoe dat het verzoek moet worden afgewezen. Bij die belangenafweging dienen namelijk ook de tekortkomingen die hebben geleid tot het vonnis van 28 februari 2025 te worden betrokken. Het kan bovendien niet zo zijn dat de ontruiming nu wordt opgeschort, omdat verzoekster een huurachterstand laat ontstaan vanaf het moment dat zij gedagvaard wordt, terwijl de huurachterstand niet de grond is waarop de procedure is gestart en de huurovereenkomst wordt ontbonden door de kantonrechter. Dit levert de onwenselijke prikkel op dat een huurder in een ontbindingsprocedure een huurachterstand laat ontstaan. Verder geldt dat het minnelijk traject, waarvoor verzoekster zich eerder ook niet heeft ingespannen, niet zal slagen. Verweerster zal namelijk niet meewerken met een akkoord en het valt te verwachten dat een verzoek ex artikel 287a Fw zal worden afgewezen. Verweerster merkt nog op dat zij de betalingen van verzoekster, d.d. 24 april 2025 en 24 mei 2025, nimmer heeft ontvangen. Verweerster heeft in dat kader op de ochtend van de zitting nog haar systeem geraadpleegd. De laatste huurbetaling dateert van eind februari 2025. Verweerster heeft niet kunnen verifiëren of verzoekster inmiddels wel in de woning verblijft.
4.De beoordeling
Artikel 287b Fw geeft de schuldenaar de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen indien sprake is van een bedreigende situatie. De voorziening is er op gericht om een adempauze te creëren die verzoekster in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met haar schuldeisers een regeling voor haar schulden te bereiken c.q. af te ronden, dan wel om de goede trouw meer gefundeerd te kunnen laten blijken.
Artikel 287b lid 4 Fw omschrijft de voorzieningen die kunnen worden getroffen. In dit geval is verzocht om een voorziening te treffen die strekt tot het van toepassing verklaren van artikel 305 FwPro. Dat artikel bepaalt (voor zover relevant), dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis dat is uitgesproken wegens een financiële tekortkoming uit de huurovereenkomst, wordt opgeschort voor de duur van de wettelijke schuldsaneringsregeling indien het een tekortkoming van vóór de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling betreft, en de lopende verplichtingen inmiddels worden voldaan. Het gaat bij dergelijke tekortkomingen immers ook om financiële schulden, waarvoor de wettelijke schuldsaneringsregeling bedoeld is. Ontruimingsvonnissen die een andere grondslag hebben, zoals overlast of (zoals in dit geval) illegale onderverhuur, vallen niet onder het bereik van artikel 305 FwPro en zijn wel tenuitvoer te leggen (ook in geval de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegepast). [1]
Uit de samenhang van die artikelen leidt de rechtbank af dat een moratorium alleen kan worden toegewezen indien het ontruimingsvonnis is gebaseerd op een tekortkoming in een financiële verplichting uit de huurovereenkomst. Het gaat dan om een bestaande achterstand in de betaling van de huurtermijnen, waarvoor het minnelijk traject (of een eventueel daarop volgende schuldsaneringsregelingtraject) geacht wordt een regeling te bieden (in de vorm van een - gedeeltelijke - betaling of kwijtschelding) terwijl de lopende verplichtingen worden voldaan.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit het vonnis van 28 februari 2025 volgt immers dat de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden, omdat verzoekster is tekortgeschoten in de verplichting om de woning niet onder te verhuren en de verplichting om hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Aangezien dat vonnis inmiddels ook in kracht van gewijsde is gegaan, staat vast dat verzoekster niet vanwege een tekortkoming in haar financiële verplichtingen uit haar woning moet, maar vanwege andere tekortkomingen. Dat verzoekster daarnaast in dat vonnis ook veroordeeld is tot betaling van de huurachterstand (die pas gedurende de dagvaardingsprocedure is ontstaan) maakt niet dat daarmee de grondslag van de ontruiming verandert (en als het ware van ‘van kleur verschiet’).
Naar het oordeel van de rechtbank kan voor het ontruimingsvonnis van 28 februari 2025 dan ook geen moratorium ex artikel 287b Fw worden verleend, omdat geen sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
De rechtbank ziet mede gelet op de achtergrond van deze procedure en de concrete omstandigheden van het geval (waaronder het feit dat de grondslag voor ontbinding niet een situatie betreft waar artikel 305 vanPro de Fw op ziet), aanleiding om de door verweerster verzochte proceskostenveroordeling toe te wijzen. Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het liquidatietarief voor kantonzaken onder de categorie ‘overige verzoeken’.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling oordeelt de rechtbank als volgt. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5.De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- veroordeelt verzoekster in de kosten van dit geding aan de zijde van verweerster begroot op € 271,00;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2025.
Voetnoten
1.Zie ook de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 942, nr. 3, p. 26