De veroordeelde is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 14 juni 2013 veroordeeld tot betaling van een ontnemingsmaatregel van € 488.116,66 aan de Staat, welke onherroepelijk is geworden na verwerping van cassatie door de Hoge Raad in 2014. Tot 29 mei 2025 heeft de veroordeelde € 27.533,16 voldaan. Hij verzocht de rechtbank om kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting wegens gebrek aan draagkracht.
De rechtbank heeft het verzoek op 4 juli 2025 behandeld, waarbij de veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord. De veroordeelde stelde dat zijn inkomsten uit loondienst en eigen bedrijf onvoldoende zijn en dat hij schulden heeft opgebouwd, waardoor hij niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. Tevens gaf hij aan psychische druk te ervaren door het betalingstraject.
De officier van justitie betoogde dat de veroordeelde onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van betalingsonmacht. De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij niet kan voldoen aan de betalingsregeling. Hij heeft de afgelopen vijf jaar steeds de maandelijkse termijn van € 200 voldaan en beschikt over voldoende middelen om dit te blijven doen. De rechtbank concludeerde dat er een realistisch perspectief is om de betalingsverplichting te voldoen tot de einddatum van 30 september 2030 en wees het verzoek af.