Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Belgische autoriteiten is op 5 november 2024 beslag gelegd op diverse elektronische apparaten en gegevensdragers van klagers. De klagers vorderden teruggave van deze goederen, stellende dat zij eigendom zijn en niet door strafbare feiten zijn verkregen, en dat zij deze dringend nodig hebben voor persoonlijke en schoolse doeleinden.
De rechtbank heeft het beklag op 4 juli 2025 behandeld en overwogen dat het systeem van het EOB gebaseerd is op het beginsel van wederzijdse erkenning binnen de EU, waardoor de ruimte voor toetsing door de uitvoerende rechter beperkt is. De rechter toetst alleen op formele gronden en weigeringsgronden zoals opgenomen in de wet, niet op de proportionaliteit of het belang van de strafvordering.
De rechtbank stelde vast dat het beslag rechtmatig is uitgevoerd conform de wettelijke voorschriften en dat de in beslag genomen voorwerpen betrekking hebben op het bewijsmateriaal dat de Belgische autoriteiten willen verkrijgen. Er zijn geen gronden voor weigering of uitstel van erkenning of uitvoering van het EOB. Het persoonlijke belang van klagers bij teruggave kan niet worden meegewogen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beklag ongegrond en bevestigde het beslag. Klagers kunnen tegen deze beslissing beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.