Uitspraak
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Rotterdam
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een gemeentelijk briefadres, welke door het college is toegekend met ingang van 25 juni 2024. Eiser betwist deze ingangsdatum en stelt dat het briefadres per 6 juni 2024 had moeten ingaan, verwijzend naar een afspraak bij de gemeente op die datum.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht is uitgegaan van de datum vermeld op het aanvraagformulier van 25 juni 2024, aangezien uit de afspraak op 6 juni 2024 niet blijkt dat er een aanvraag is gedaan of dat er een wens tot terugwerkende kracht is geuit. Het college heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht ongegrond verklaard.
De rechtbank stelt dat eiser voldoende procesbelang heeft omdat de ingangsdatum van belang is voor zijn ziektekostenverzekering en bijstandsuitkering. Desondanks blijft het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen vergoeding van proceskosten ontvangt.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier L. Zwager op 25 juli 2025. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het briefadres blijft met ingang van 25 juni 2024 toegewezen.