De rechtbank Rotterdam heeft op 21 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS) van 1 januari 2016 tot en met 6 juli 2023. Het onderzoek omvatte onder meer telefoontaps, observaties en een WOD-traject met politie-infiltranten. De verdediging voerde onder meer aan dat bewijsmateriaal uit het WOD-traject onrechtmatig was verkregen en dat processen-verbaal onzorgvuldig waren opgesteld, maar de rechtbank verwierp deze verweren.
Feiten uit het dossier tonen aan dat de verdachte meerdere keren is aangehouden in Turkije en Oekraïne vanwege pogingen om zich bij IS aan te sluiten en dat hij contacten onderhield met veroordeelde IS-aanhangers. Hij heeft een eed van trouw aan IS afgelegd en was actief in het verspreiden van jihadistische kennis en het inzamelen van geld voor IS-gevangenen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deelnam aan IS en handelingen verrichtte die het terroristische oogmerk ondersteunden.
De rechtbank motiveerde de straf door de ernst van het feit, de lange duur van deelname, de wreedheid van IS en de bedreiging voor de samenleving. De verdachte heeft geen strafblad voor soortgelijke feiten. De redelijke termijn voor berechting was overschreden, waardoor de opgelegde straf lager is dan geëist. De verdachte is veroordeeld tot 5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.