ECLI:NL:RBROT:2025:8937

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
C/10/701485 / KG ZA 25-576
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en uitvoering regeling kinderalimentatie en huurrecht in kort geding

In deze kort gedingprocedure hebben partijen een regeling getroffen over de betaling van kinderalimentatie voor drie minderjarigen en de verdeling van het huurrecht van een woning te Brielle. De voorzieningenrechter heeft de regeling beoordeeld en vastgesteld dat bepaalde veroordelingen in kort geding niet kunnen worden uitgesproken wanneer zij een constitutief karakter hebben, zoals het toekennen van huurrecht en het vaststellen van hoofdverblijfplaats.

De voorzieningenrechter veroordeelt de man tot betaling van achterstallige kinderalimentatie over mei en juni 2025, tot het regelen van de overschrijving van een minderjarige in het BRP, tot betaling van voorlopige kinderalimentatie voor twee andere minderjarigen en tot medewerking aan de overdracht van de huurovereenkomst met uitsluiting van de vrouw. Het huurrecht wordt voorlopig toegekend aan de man. Daarnaast worden partijen veroordeeld om de overige afspraken in de regeling na te komen.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 15 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzieningenrechter.

Uitkomst: De voorzieningenrechter legt de regeling vast en veroordeelt de man tot betaling van kinderalimentatie en medewerking aan huurrechtsoverdracht, met een voorlopige toewijzing van het huurrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/701485 / KG ZA 25-576
Vonnis in kort geding van 15 juli 2025
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. A.G. van Tilburg-Keesmaat te Sliedrecht,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A. Schellekens te Den Haag.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juni 2025, met bijlagen 1 tot en met 5.
1.2.
Op 11 juli 2025 heeft [eiseres] de voorzieningenrechter bericht dat partijen een regeling hebben getroffen en heeft zij de voorzieningenrechter verzocht die regeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in een vonnis of proces-verbaal op te nemen. [gedaagde] heeft op diezelfde datum bevestigd dat partijen een regeling hebben getroffen en hij heeft ook verzocht de regeling in een vonnis of proces-verbaal op te nemen. De op 14 juli 2025 geplande mondelinge behandeling is gelet op de door partijen getroffen regeling niet doorgegaan.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen hebben de volgende regeling getroffen:

a. De man betaalt aan de vrouw over de maand mei 2025 een kinderalimentatie van € 1.000,- voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en over de periode juni 2025 een kinderalimentatie van € 670,- voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . In totaal is de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd van € 1.670,-. Daarvan is een bedrag van € 600,00 reeds voldaan. Het resterende achterstallige bedrag van € 1.070,- wordt uiterlijk vòòr 14 juli 2025 door de man aan de vrouw betaald. Partijen zijn overeengekomen dat de [minderjarige 1] vanaf 1 juli 2025 haar hoofdverblijf bij de man zal hebben. De man zal de overschrijving in de BRP regelen. De man zal vanaf 1 juli 2025 gerechtigd zijn tot de kinderbijslag en het kind gebonden budget voor [minderjarige 1] en vanaf die datum zal de man ook alle kosten van [minderjarige 1] voor zijn rekening nemen. De kosten voor [minderjarige 1] hebben partijen in natura verdeeld en zij hebben ten aanzien daarvan niets meer over en weer van elkaar te vorderen.
b. Met ingang van 1 juli 2025 betaalt de man aan de vrouw een bedrag van € 335,00 per kind per maand ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit hoofde van (voorlopige) kinderalimentatie. De wettelijke indexering gaat in per 1 januari 2026. Indien partijen dat in de toekomst wenselijk achten, wordt er een alimentatieberekening gemaakt voor het toekomstige kinderalimentatiebedrag. Partijen zijn overeengekomen dat zij – ongeacht de uitkomst van die berekening en de nieuwe afspraak – over en weer niets hoeven bij of terug te betalen over de voorafgaande periode.
c. De man verleent medewerking aan de verstrekking van zijn financiële stukken aan de verhuurder van de huurwoning te ( [postcode] ) te Brielle aan de [adres] en ondertekening van de daartoe benodigde formulieren strekkende tot het overnemen van de huurovereenkomst met uitsluiting van de vrouw, waarbij de medehuur van voornoemde woning door de vrouw wordt beëindigd. De man verklaart dat er geen huurachterstand is en vanaf de datum van de beëindiging van de samenwoning (19 januari 2024) alle huurverplichtingen voor zijn rekening neemt en de vrouw daarvan vrijwaart.
d. De man stemt in met de vordering van de vrouw onder d van de dagvaarding, namelijk dat het huurrecht wordt toegekend aan de man en de huurovereenkomst van de woning te ( [postcode] ) Brielle aan de [adres] ten aanzien van de vrouw als vertrekkende huurder met ingang van 19 januari 2024 eindigt en de huurovereenkomst met ingang van die datum alleen door de man wordt voortgezet.
e. Partijen betalen de eigen proceskosten.”.
2.2.
De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van partijen om de volledige regeling op te nemen in dit vonnis aldus, dat [eiseres] haar vorderingen wijzigt in die zin dat zij nu vordert om [gedaagde] te veroordelen om te doen wat hij op grond van de regeling moet doen, en dat [gedaagde] daarmee instemt. In een kort geding kunnen echter geen veroordelingen worden uitgesproken die een constitutief karakter hebben, zoals de toekenning van het huurrecht van een woning aan de ene partij of het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van een minderjarige. Ook niet als partijen het daarover eens zijn.
2.3.
Gelet op het voorgaande wordt hierna onder de beslissing als volgt beslist. [gedaagde] wordt veroordeeld om (1) € 1.070,00 aan kinderalimentatie over de maanden mei en juni 2025 aan [eiseres] te betalen, (2) de overschrijving van [minderjarige 1] in het BRP te regelen, (3) € 335,00 per kind per maand aan (voorlopige) kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan [eiseres] te betalen, en (4) zijn medewerking te verlenen aan de verstrekking van zijn financiële stukken aan de verhuurder van de huurwoning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in Brielle en ondertekening van de daartoe benodigde formulieren strekkende tot het overnemen van de huurovereenkomst met uitsluiting van [eiseres] , waarbij de medehuur van voornoemde woning door [eiseres] wordt beëindigd. Verder wordt het huurrecht van de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in Brielle voorlopig toegekend aan [gedaagde] . Tot slot worden partijen veroordeeld om de door hen getroffen regeling voor het overige – dus voor zover daar in dit vonnis geen veroordeling over kan worden uitgesproken – na te komen.
2.4.
De proceskosten worden gecompenseerd, overeenkomstig de door partijen getroffen regeling.
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om € 1.070,00 aan kinderalimentatie over de maanden mei en juni 2025 aan [eiseres] te betalen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om de overschrijving van [minderjarige 1] in het BRP te regelen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om € 335,00 per kind per maand aan (voorlopige) kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan [eiseres] te betalen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan de verstrekking van zijn financiële stukken aan de verhuurder van de huurwoning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in Brielle en ondertekening van de daartoe benodigde formulieren strekkende tot het overnemen van de huurovereenkomst met uitsluiting van [eiseres] , waarbij de medehuur van voornoemde woning door [eiseres] wordt beëindigd;
3.5.
kent het huurrecht van de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in Brielle voorlopig toe aan [gedaagde] ;
3.6.
veroordeelt [eiseres] en [gedaagde] om de door hen getroffen regeling (zie hiervoor in 2.1.) voor het overige – dus voor zover daar in dit vonnis geen veroordelingen over zijn uitgesproken – na te komen;
3.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten betaalt;
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.
3349 / 3965 / 3577