Verzoekers, bestaande uit een stichting en een bedrijf, maakten bezwaar tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht oplegde wegens het gebruik van een pand als islamitisch centrum in strijd met het Voorbereidingsbesluit Bedrijfsactiviteiten Barendrecht. Het college stelde dat het gebruik in strijd was met de bestemming 'Bedrijventerrein' en eiste beëindiging van de activiteiten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers een begin van bewijs hadden geleverd dat het pand al vóór de inwerkingtreding van het Voorbereidingsbesluit op 18 april 2025 in gebruik was voor religieuze en maatschappelijke activiteiten. Dit vereiste nader onderzoek in de bezwaarprocedure. De belangenafweging wees uit dat de belangen van verzoekers, waaronder het recht op vrijheid van godsdienst en het risico op het voortbestaan van de stichting, zwaarder wogen dan het belang van het college bij handhaving.
De voorzieningenrechter schorst daarom de last onder dwangsom tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.