Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet tot toewijzing van een voorlopige voorziening die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat verzoekster niet heeft voldaan aan een extra aflossingsverplichting uit een eerder proces-verbaal, en verweerster de ontruiming heeft aangekondigd.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en haar schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster die uitvoering wil geven aan het ontruimingsproces-verbaal. Gezien de betaling van lopende huurtermijnen sinds september 2024 en de verplichting dat verzoekster haar inkomen via een schuldhulpverlener laat lopen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de huurtermijnen tijdig voldaan zullen worden.
Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen en de ontruiming geschorst onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het lopende minnelijk traject. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
De rechtbank legt aan verweerster de verplichting op om uiterlijk twee weken voor afloop van het moratorium verslag uit te brengen over de schuldhulpverlening. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen indien nodig.