Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de tussenbeschikking van 5 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de brief van [verzoekster] van 20 juni 2025;
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een ontbindingsverzoek ingediend tegen verweerder op grond van een vermeend incident waarbij verweerder een studente tijdens een rekenles seksueel grensoverschrijdend zou hebben aangeraakt. De kantonrechter heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van dit incident.
Verzoekster heeft vervolgens besloten geen nader bewijs te leveren en het ontbindingsverzoek op deze grond (de e-grond) in te trekken, waardoor alleen de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) als grondslag resteert. De kantonrechter stelt vast dat zonder bewijs van het incident de arbeidsrelatie niet als ernstig en duurzaam verstoord kan worden beschouwd.
Verzoekster heeft geen andere concrete feiten of omstandigheden gesteld die een verstoring van de arbeidsverhouding aantonen. Verweerder heeft een tegenverzoek ingediend om weer toe te laten tot werkzaamheden, maar dit wordt niet inhoudelijk behandeld omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.
De kantonrechter veroordeelt verzoekster tot betaling van de proceskosten aan verweerder en wijst het ontbindingsverzoek af. De arbeidsovereenkomst blijft derhalve bestaan.
Uitkomst: Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs voor het vermeende incident en het ontbreken van een verstoorde arbeidsverhouding.