De zaak betreft een geschil tussen een huurder en verhuurder over herstelwerkzaamheden aan een woning en de daaraan gekoppelde dwangsommen. De huurder kreeg op basis van een Huurcommissie-uitspraak tijdelijk een huurverlaging vanwege ernstige gebreken. De verhuurder werd bij vonnis veroordeeld tot herstel van deze gebreken met een dwangsom bij niet-nakoming.
Na verbeuren van een dwangsom van €3.000,- stelde de huurder een hogere dwangsom van €25.000,- in kort geding. De kantonrechter oordeelde dat de dwangsom wel verhoogd moest worden, maar matigde deze tot €250,- per dag met een maximum van €10.000,-, vanwege de slechte financiële positie van de verhuurder. Tevens werd het verstekvonnis vernietigd, behalve voor de proceskostenveroordeling.
De kantonrechter wees de vordering tot ontruiming af, omdat ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure niet aannemelijk was. De huurachterstand werd door verrekening met de dwangsom als niet toewijsbaar beschouwd. Vergoeding buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en verrekening.
De verhuurder werd veroordeeld om binnen drie weken te starten met herstel en binnen twaalf weken deze te voltooien, onder dreiging van de gematigde dwangsom. De proceskosten werden aan de verhuurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.