Eiseressen en gedaagden sloten in maart 2023 een koopovereenkomst voor vier percelen met opstallen, met een uiterste leveringsdatum van 31 december 2024. Medio 2024 ontstond discussie over de leveringsdatum vanwege een huurder die nog aanwezig was. Gedaagden stelden dat de leveringsdatum was komen te vervallen en dat nakoming nog niet opeisbaar was, terwijl eiseressen vasthielden aan de oorspronkelijke datum.
De voorzieningenrechter oordeelde dat, ook als de oorspronkelijke leveringsdatum vervallen zou zijn, gedaagden verplicht zijn de koop na te komen omdat partijen geen nieuwe datum overeenkwamen. Sinds de ingebrekestelling van 2 januari 2025 hadden gedaagden voldoende tijd gehad om de afname te realiseren. Eiseressen hadden een spoedeisend belang bij nakoming vanwege leegstand en financiële lasten.
De gevorderde boetes werden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot nakoming binnen 30 dagen, betaling van de koopsom en bijkomende kosten, en een dwangsom van €5.000 per dag bij niet-nakoming tot een maximum van €500.000. Tevens werden zij veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente hierover.