AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aanhouding beslissing inzagevordering in civiele procedure over gebruik perceel in Rotterdam
In deze civiele procedure tussen Havenbedrijf Rotterdam en meerdere gedaagden, waaronder Garagebedrijf Charlois en enkele natuurlijke personen, is een incident tot inzagevordering aan de orde. Garagebedrijf Charlois en een van de gedaagden verzoeken inzage in correspondentie, rapporten, vergunningen en contractinformatie met betrekking tot een perceel in Rotterdam sinds 2003.
De rechtbank beoordeelt dat dit verzoek om inzage op grond van artikel 195 RvPro onderdeel is van het bewijsrecht dat in de hoofdzaak zal worden behandeld. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een onmiddellijke beslissing rechtvaardigen. Daarom wordt het verzoek aangehouden en zal de beslissing worden genomen tijdens de mondelinge behandeling die binnenkort wordt gepland.
De rechtbank bepaalt dat de zaak op 16 juli 2025 weer op de rol komt voor beraad over het bepalen van een mondelinge behandeling. Alle verdere beslissingen worden aangehouden. Dit vonnis is gewezen door de rolrechter D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing op het incidentele verzoek tot inzage aan tot de mondelinge behandeling van de hoofdzaak.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/694994 / HA ZA 25-187
Vonnis in incident van 2 juli 2025
in de zaak van
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. E.A. van Nimwegen te Rotterdam,
tegen
1.[persoon A] ,
wonende te [woonplaats A] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk a/d IJssel,
2. GARAGEBEDRIJF CHARLOIS V.O.F.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiseres in het incident,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,
3. [persoon B],
wonende te [woonplaats B] ,
gedaagde in conventie,
eiser in het incident,
advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,
4. [persoon C],
wonende te [woonplaats C] ,
gedaagde in conventie,
niet verschenen.
Eiseres in de hoofdzaak zal hierna Havenbedrijf Rotterdam genoemd worden en gedaagden in de hoofdzaak: [persoon A] , Garagebedrijf Charlois, [persoon B] en [persoon C] .
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis in het vrijwaringsincident van 21 mei 2025, en de daarin vermelde processtukken,
de incidentele conclusie van antwoord van Havenbedrijf Rotterdam op het verzoek ex artikel 195 RvPro.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.Het geschil in het incident ex artikel 195 RvPro
2.1.
Garagebedrijf Charlois en [persoon B] verzoeken de rechtbank om Havenbedrijf Rotterdam te veroordelen om de volgende informatie in het geding te brengen:
alle correspondentie aangaande het object [naam object] te Rotterdam sinds maart 2003 van en met de gemeente,
alle rapporten, vergunningen, meldingen en onderzoeken van de gemeente en de gemeentelijke instellingen (waaronder DCMR en Havenbedrijf Rotterdam) aangaande het voormelde object,
de correspondentie met en betreffende contracten en informatie (waaronder ingewonnen bedrijfsinformatie en interne goedkeuringsvoorstellen en goedkeuringsbesluiten) aangaande de verhuur, verkoop en levering van het object door [persoon D] aan J. De Graaf Vastgoed B.V. en de verkoop aan [persoon A] in 2016.
2.2.
De conclusie van Havenbedrijf Rotterdam strekt tot afwijzing van het verzoek.
3.De beoordeling in het incident
3.1.
Artikel 209 RvPro bepaalt dat op een incidentele vordering, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist. Of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering (HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176, NJ 2012/158).
3.2.
Garagebedrijf Charlois en [persoon B] baseren hun verzoek op artikel 195 RvPro. Artikel 195 lid 1 RvPro heeft betrekking op het verzoek om inzage tijdens een lopende procedure. De rechter kan naar aanleiding van een verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lidPro 1, eerste volzin, Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
3.3.
Uit de stellingen van Garagebedrijf Charlois en [persoon B] begrijpt de rechtbank dat zij de gevraagde informatie verlangen om te bewijzen dat Havenbedrijf Rotterdam heeft ingestemd met de verhuur van het perceel [naam object] te Rotterdam door een van de rechtsvoorgangers van [persoon A] aan Garagebedrijf Charlois althans heeft bewilligd in het gebruik van het hiervoor bedoelde perceel door Garagebedrijf Charlois. Of aan een van partijen bewijs moet worden opgedragen, is een vraag die in de hoofdzaak aan de orde kan komen met toepassing van de regels van het bewijsrecht.
Garagebedrijf Charlois en [persoon B] hebben in de hoofdzaak inmiddels een conclusie van antwoord genomen. In beginsel zal in de hoofdzaak daarom binnen afzienbare termijn een mondelinge behandeling worden bepaald. Tijdens die mondelinge behandeling zal het geschil in volle omvang – dus inclusief het incidentele verzoek tot inzage – aan de orde kunnen komen.
3.4.
Tegen die achtergrond en nu Garagebedrijf Charlois en [persoon B] geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden, ziet de rechtbank geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele vordering van Garagebedrijf Charlois en [persoon B] . De rechtbank zal de beslissing op het incidentele verzoek daarom aanhouden.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
houdt iedere beslissing aan,
in de hoofdzaak
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2025voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025.