ECLI:NL:RBROT:2025:9162
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening urgentieverklaring mantelzorg na opname vader in zorginstelling
Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd om met voorrang woonruimte te verkrijgen vanwege mantelzorg voor haar vader. Het college wees deze aanvraag af omdat haar vader op het moment van het besluit in een zorginstelling verbleef en daardoor geen mantelzorg nodig had.
Tijdens de zitting bleek dat de vader inmiddels weer thuis woont en mantelzorg ontvangt van verzoekster en haar zus. Verzoekster woont zelf bij een kennis zonder eigen woonruimte en wil in de buurt van haar vader wonen om de zorg beter te kunnen verlenen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks de gewijzigde situatie er geen zodanige spoedeisendheid of onhoudbaarheid was dat verzoekster de bezwaarprocedure niet kon afwachten. Het college krijgt de gelegenheid de nieuwe situatie te beoordelen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak bindt de rechtbank niet in een mogelijk bodemgeding en tegen deze beslissing is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een urgentieverklaring wordt afgewezen omdat geen spoedeisende situatie is gebleken.